Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„het verkeer geopende baanvakken te kunnen exploiteeren, heeft het aan„tal treinen eene vermindering moeten ondergaan, die eene aanzienlijke „toeneming van het personenverkeer gedurende eenige maanden eenigs„zins heeft belemmerd".

Hoe had het moeten gaan als de aanleg 2 of 3 jaar eerder afgeloopen geweest ware? 12)

Gedurende het tijdvak van den aanleg deed zich de boven reeds aangestipte kwestie „Badjangan 4" voor, welke betrekkelijk kleine wrijving tusschen den aanlegdienst der ljjn Waroengdowo—Bekassi Oost o.a. aanleiding gaf tot het conflict met de Babat—Djombang Stoomtram Maatschappij, waarover uitvoerig gesproken is in deel III der Indische Spoorwegpolitiek. Hoofdstuk II § 3.

De zaak was deze:

In het ljjnvak Waroengdowo—Bekassi Oost kwam een gouvernements duiker voor: Badjangan 4, welke dringend herstelling behoefde. Van deze gelegenheid werd gebruik gemaakt om een nieuwe doorlaat op een geschiktere plaats te maken. Aan den gemachtigde van den concessionaris der lijn in aanleg, den heer B. Bos, werd gevraagd, om, waar zijn tram van een gouvernementsweg en -kunstwerk gebruik maakte, het werk voor gezamenlijke rekening uit te voeren, waartoe hn' zich zou moeten verbinden ƒ 406 (Vier honderd zes gulden) bn' te dragen. De heer Bos weigerde, omdat geen enkel artikel van het Tramwegreglement en van de Algemeene Voorwaarden (Ind. Staatsbladen 1893 No. 190 en 191) hem kon verplichten bedoelde verklaring af te geven. Integendeel achtte hij art. 12 van het Algemeen Tramwegreglement van toepassing, hetwelk recht gaf op schadeloosstelling., (brief van 17 Juli 1899 No. 115|Ps.S.M.).

In den brief No. 14926 van 14 Sept. 1899, welke de heer de Meyier naar aanleiding hiervan tot den Resident van Pasoeroean richtte, komt o.m. het volgende voor:

„Ik geef toe dat de Staatsbladen 1893 No. 190 en 191 daaromtrent „geene duidelijk omschreven bepalingen bevatten en dit gemis is waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit dat het steeds als van zelf sprekende is aangenomen dat eene tramweg Maatschappij, die het medegebruik van Gouvernements kunstwerken heeft gekregen geen eisch tot „schadevergoeding van welken aard ook kan instellen wanneer haren „dienst tijdelijk wegens noodzakelijk herstel of vernieuwing van dat kunst„werk gestaakt moet worden, noch eischen kan dat het Gouvernement „haar tijdelijk een noodbrug zal bouwen. Het zoude immers ongerijmd zn'n „indien het Gouvernement, dat aan dergelijke Maatschappijen een gunst

12) Bovenstaande details — op zichzelf weinig belangrijk — zijn opgenomen om de historische waarde van jaarverslagen aan te toonen, zulks naar aanleiding van oen aanval van den heer Geene op de Indische Regeering en hare organen in het Indisch Tijdschrift voor Spoor- en Tramwegwezen 1918. Zie overigens voor mijn antwoord: Indische Spoorwegpolitiek deel III Hoofdstuk II.

Sluiten