Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het betrekkelijke gouvernementsbesluit. Toegezegd werd dat t.g.t. een statutenwijziging zou plaats hebben. Wijziging der concessievoorwaarden werd overigens onbillijk geacht, omdat het alleen een finantieele operatie gold, teneinde meer geld beschikbaar te krijgen voor onderhoud en verneuwing.

Bij G. B. van 16 Augustus 1905 No. 4 werd concessie verleend op één stel voorwaarden, welke zouden ingaan op den dag waarop zij blijkens een door de Ps. S. M. af te geven gezegelde verklaring aanvaard zouden worden en welke in de plaats zouden treden van de vroeger verleende drie vergunningen. Een jaar tijd werd gegeven om bedoelde gezegelde verklaring in te dienen.

Den 20 October 1905 antwoordde de heer G. Zeehuisen weer, dat zoolang de Ps. S. M. bestond, de aandeel- en obligatiehouders weinig plezier van de onderneming hadden beleefd, dat tengevolge van de reorganisatie ƒ 800.000.— op het kapitaal afgeschreven was, dat het rentepercentage verlaagd was, waardoor het gevaar voor faillietverklaring voorloopig bezworen was, dat echter de uitbreiding van het voertuigpark alsmede de vernieuwing en verbetering van de baan zeer aanzienlijke sommen zouden eischen. De finantieele druk, als gevolg van de concessiewijziging, zou de Maatschappij niet kunnen dragen. Waar men niet als in Nederland door vele tramwegen met succes geschiedde, een renteloos voorschot vroeg, doch alleen een verlenging van den duur der concessie wenschte, daar vroeg hn' le herziening van het G. B. van 16 Augustus 1905 No. 4 en 2e afloop der gezamenlijke concessie op de oude voorwaarden op 1 Januari 2004.

Bij brief van den Directeur der B. O. W. van 13 November 1905 No. 17023 werd daarop gevraagd, waaruit de verzwaring der finantieele lasten naar het oordeel van den H.V. zouden bestaan, terwijl gewezen werd op het feit, dat de verlenging van den concessieduur grooter was, dan waarom oorspronkelijk verzocht was geworden.

Den 21en November d.a.v. antwoordde de H.V. dat de nieuwe concessievoorwaarden niet aannemelijk waren:

le. wegens de nieuwe bepalingen betreffende de eventueelé naasting;

2e. in verband met de bepalingen van art. 8 der nieuwe voorwaarden, welker toepassing naar gelang van de omstandigheden een zwaren druk op de zwakke onderneming zou, kunnen uitoefenen;

3e. omdat de Ps. S. M. zich ingevolge het bepaalde in art. 1 sub e der nieuwe voorwaarden, bn" voorbaat zou moeten onderwerpen aan alle aanvullingen en wijzigingen later aan te brengen in de sub a en b van dat artikel bedoelde Algemeene Voorwaarden en Algemeene Reglementen, terwijl de Maatschappij thans precies wist waar zij aan toe was.

Sluiten