Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Directeur der B. O. W. antwoordde bij schrijven van 24 Juli 1865 No. 6 G. op de desbetreffende missive van den len Gou'vemements Secretaris van den 15en tevoren Lett. Z 2. De heer de Bruyn merkte op, dat zijn brief van 3 April 1865 No. 1642 daarvan uitging, dat het algemeen beheer over alle op de spoorwegen betrekking hebbende aangelegenheden bij zy'ne directie zouden moeten berusten en dat het in zijn voornemen gelegen had, om, geleidelijk en door de ondervinding voorgelicht, over te gaan tot een goede verdeeling van den arbeid zoodra de „afdeeling spoorwegen" zou zijn opgericht.

Tegen den overgang van het „toezicht" naar de Directie, waartoe de middelen van vervoer behoorenden — d.w.z. naar het Departement van Producten en Civiele Magazijnen, later het „Departement van Binnen„landsche Zaken" (G. B. van 18 Juni 1861 No. 8) — had de heer de Bruyn geen bezwaar. Hij gaf verder in overweging den ambtenaar, belast met het toezicht sub B den titel van „Hoofdinspecteur" te geven en van „Inspecteur" (zonder Massificatie) aan de hem ondergeschikte ambtenaren. Het toezicht sub A zou' uitgeoefend kunnen worden door bij eiken spoorwegdienst afzonderlijk ingenieurs en opzichters der B. O. W. te detacheeren.

Voorts achtte de Directeur het wenschelnk om het Staatstoezicht op den aanleg te stellen onder een rijkshoofdingenieur en noodzakelijk om de ambtenaren van het toezicht voor hun dienstreizen te defroyeeren.

Het advies van den Raad van Indië in zake de oprichting van een afdeeling van spoorwegen b) bij het Departement der.B. O. W. luidde vrij gunstig (advies van 16 Juni 1865 No. XL); minder gunstig het afwijkend advies van het lid, den heer O. van Rees. Bij G. B. van 4 September 1865 No. 15 werd onder nadere goedkeuring des Konings het volgende vastgesteld (Stbl. No. 91).

„Eerstelijk. Het toezigt, van Regeringswege op de spoorwegen, „tramroads enz. uit te oefenen, omvat:

„A. het toezigt op den aanleg der wegen en hetgeen daartoe behoort;

„B. het toezigt op de exploitatie en het dagelijksch onderhoud;

„en

„C. het toezigt op het stoomwezen der Spoorwegdiensten.

„Ten tweeden. Het algemeen toezigt, bedoeld bij A van artikel 1, „wordt opgedragen aan den Direkteur der Burgerlijke Openbare Werken „en het bijzonder toezigt aan den Chef der Waterstaatsafdeeling waarin „de Spoorwegen gelegd worden.

„Onder nadere goedkeuring der Regering wordt door voornoemden „Direkteur bij dezen Chef zoodanig personeel gedetacheerd als blijken „zal noodig te zijn.

5) Omtrent de latere plannen tot organisatie van het spoorwegwezen, zie ook Indische Spoorwegpolitiek deel I bjjL XIX en deel III Hoofdstuk I §§ 9 en 12.

Sluiten