Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Nederlandsch-Indië over 1865, waar op bl. 147 te lezen stond: „In het „gemis aan speciale voorschriften of bepalingen omtrent het toezigt van „regeringswege uit te oefenen op spoorwegen, tramroads enz. werd voor„loopig voorzien door het besluit van den Gouverneur-Generaal van 4 „September 1865 No. 15 (Ind. Stbl. No. 91. 6) Het toezigt op den aanleg „der wegen en hetgeen daartoe behoort is by deze regeling opgedragen aan „den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken en het bijzonder toe„zigt van den Chef der Waterstaatsafdeeling, waarin de spoorwegen „gelegd zijn".

Het toezicht op de exploitatie enz. werd nader geregeld bij het Algemeen Reglement voor de Spoorwegdiensten in Nederlahdsch-Indië, vastgesteld bij ordonnantie van 21 November 1866 No. 8 (Indisch Staatsblad No. 132).

In bijlage XXV zijn de artikelen uit het eerste Algemeene Reglement, voor zoover zij betrekking op het „toezicht" hadden, opgenomen. Vermelding verdient dat dit Algemeen Reglement samengesteld was op de Algemeene Secretarie ri.1. door den referendaris H. J. Bool. Als voorbeeld was de Hollandsche regeling genomen, dus de z.g. Eerste Spoorwegwet (wet van 21 Augustus 1859, Ned. Staatsblad 98), het K. B. van 4 April 1860 (Ned. Stbl. No. 15) en het K. B. van 12 Mei 1863 (Ned. Stbl. No. 58). Na de gereedkomst werd het concept gezonden aan den Directeur der B. O. W. en den Procureur-Generaal, die evenals de Raad van Indië slechts geringe wijzigingen noodig achtten. Nadat nog de heer J. P. de Bordes zijn licht over het concept had laten schijnen, verscheen het in het Indische Staatsblad. De Directeur der Producten ^n Civiele Magazijnen was bij het overleg niet gehoord geworden; dit departementshoofd, dat zich van het hem vroeger opgedragen toezicht bitter weinig aangetrokken had, was omstreeks dezen tijd van dezen zorg ontheven, doordat hoewel de middelen van vervoer en gemeenschap volgens art. 2 van het K. B. van 21 Sept. 1866 No. 66, houdende reorganisatie der departementen van algemeen burgerlijk bestuur in N. I. (Ind. Stbl. 1866 No. 127) onder dezen waren blijven ressorteeren, de spoorwegen volgens art. 4 van hetzelfde K. B. onder de Directie der B. O. W. waren gebracht.

Bij Kabinetsrescript van 22 April 1867 werd het Algemeen Reglement door den Koning goedgekeurd (G. B. 18 Juli 1867, No. 1, Ind. Stbl. No. 95).

De Indische Regeering werd uitgenoodigd om ook in dit toezicht zoo mogelijk te doen voorzien zonder aanstelling van nieuw personeel.

De Minister van Koloniën, de heer N. Trakranen, had zich met de splitsing van het toezicht op aanleg en op exploitatie, zooals dat geschied

6) In overeenstemming met deze regeling werd van af 1865 het toezicht op den aanleg van den spoorweg Semarang-Vorstenlanden uitgeoefend door den chef der 3de waterstaatsafdeeling, tevens eerstaanwezend ingenieur in de residentie Semarang.

Sluiten