Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was bij G. B. van 4 September 1865 Stbl. No. 91 (zie boven) zeer goed kunnen vereenigen, evenals met de regeling van het eerste onderdeel; het toezicht op de exploitatie achtte hij echter veel te weelderig ingericht. Bovendien was Zijne Excellentie van oordeel, dat daaraan de vaststelling eener verordening op de politie der spoorwegen — die bepalingen behoorde te bevatten omtrent het staatstoezicht — had moeten voorafgaan (Min. depêche van 19 November 1866 L. A. az No. 28|1453).

. Deze depêche kruiste met den Indischen brief, waarbij het bovengenoemde Algemeene Reglement op de spoorwegdiensten werd aangebodeu en waarbij het „toezicht" werd opgedragen aan een hoofdinspecteur bijgestaan door inspecteurs en opzieners. De heer Trakranen herhaalde zijne bedenkingen in zijne missive van 29 April 1867 Lr. A. az. No. 7|530: „Voor's hands" aldus de Minister, „zal in het dageljjksche toezigt op de „exploitatie van een gedeelte der lijn Samarang—Vorstenlanden voldoende door spoorwegopzieners kunnen worden voorzien, terwijl de eerstaanwezende hoofdingenieur van den waterstaat te Samarang kan belast „worden met de waarneming der functien bij het reglement van den „hoofdinspecteur der spoorwegdiensten opgedragen en de andere te Sa„marang gestationeerde ingenieurs tevens als inspecteurs kunnen dienst „doen".

Bij deze zienwijze werd volhard ook na ontvangst der Indische depêche van 29 Maart 1867 No. 277114, blijkens het daarop gegeven ministerieel antwoord van 22 Mei 1867 Lr. Aaz. No. 11|632. 7)

In het jaar 1870 kwamen uit Indië nieuwe voorstellen en wel naar aanleiding der ministerieele depêche van 15 Juni 1870 Lr. H. No. 17|832 waarin „ook met het oog op hetgeen verder ter verkrijging van spoorwegen in Indië geschieden moest" de vraag gesteld werd „of inzake de „spoorwegen thans werkelijk deskundig advies voor de Regering in Indië „beschikbaar was".

7) In 1868 werd in den Regeeringsalmanak voor het eerst de naam van den Hoofdinspecteur genoemd. Bij de opsomming van het personeel der N. I. S. M. kwam als zoodanig voor „de heer W. Kraft (wd)", zijnde deze de e.w. waterstaatsingenieur te Semarang. In 1869 werd van de functie* geen melding gemaakt

In 1870 vinden .we in den Regeeringsalmanak pas de juiste regeling van het toezicht vermeld: „Voorloopig is met het toezigt op de exploitatie van het voor het „verkeer opengestelde gedeelte van de lijn Samarang-Vorstenlanden belast de Eerst„aanwezend Ingenieur in de de residentie Samarang. (Stbl. 1867 No. 118 en 1868 „No. 100)".

Het toezicht op de exploitatie en het verkeer op de lijn Batavia—Buitenzorg werd opgedragen aan den Eerstaanwezend Ingenieur in de residentie Batavia (G.B. van 15 Sept 1871 No. 22).

Dat het regeeringstoezicht in die dagen uitermate slap was werd niet ten onrechte door den afgevaardigde Mr. W. baron van Goistein opgemerkt in de Tweede Kamerzitting van 5 Maart 1869. Zie Indische Spoorwegpolitiek deel III (tekst) hoofdstuk I § 2 blz. 58.

Sluiten