Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wordt de beperkte werkkring dezer ambtenaren in het oog gehou„den dan zal het ook wel niet langer onmogelijk geacht worden daarvooi „in Indië geschikte personen te vinden".

Voor het geval de heer Loudon hiermede instemde, werd hem in overweging gegeven met wijziging der Ind. Staatsbladen 1865 No. 91 en 1866 No. 132 onder 's Konings nadere goedkeuring over te gaan tot de aanstelling van het strikt noodige personeel.

Omtrent het toezicht op den aanleg werd aanbevolen de bestaande regeling ongewijzigd te laten.

Bovengenoemde brief, welke den 23 April aan den Directeur der B. O. W. gerenvoyeerd werd, gaf dezen dd. 3 Juni 1872 (brief 5527) aanleiding concrete voorstellen inzake de uitoefening van het toezicht in te dienen. De Directeur, de heer Jhr. Mr. H. F. H. van Raders, bleef het wenschelijk achten de titels van „hoofdinspecteur enz." genoemd in het Algemeen Reglement niet te wijzigen, doch de bezoldiging lager te stellen dan oorspronkelijk bedoeld was. Ook de Directeur van Justitie vond wijziging der Staatsbladen 1865 No. 91 en 1866 No. 132 in den gedachtengang van zijn ambtgenoot der B. O. W. niet noodig.

De Raad van Indië adviseerde den 19 Juli 1872 (No. XX) dat combinatie van het toezicht op den aanleg en de exploitatie niet wenschelijk leek, voorts dat de voorgestelde organisatie „zeer kostbaar" zou zijn. In overweging werd gegeven om het deskundig oordeel in Nederland over de komende regeling in te winnen en een Koninklijke beschikking te provoceeren. De Raad stelde ten slotte de vraag of het voorstel niet had behooren uit te gaan van den Directeur van Binnenlandsch-Bestuur tot wiens werkkring de middelen van vervoer behoorden. 10)

Bij M. G. S. van 21 Aug. 1872 No. 1583 werden de stukken weder in handen van den Directeur der B. O. W. gesteld, met verzoek eenige nadere toelichtingen te willen geven

Den 31 Aug. 1872 gaf de heer van Raders nader advies, hetwelk aan den Raad van Indië werd aangeboden tegelijk met eene correspondentie met het Comité van Bestuur der N. I. S. M., waaruit bleek: le hoe noodzakelijk het was toezicht op den aanleg der lijn Buitenzorg—Batavia te houden en 2e hoe moeilijk dit in de practijk door het waterstaatspersoneel kon worden uitgeoefend.

In zyn advies van 27 Sept. 1872 No. XXXVIa drukte de Raad van Indië de voorgestelde tractementen en indemniteiten van het aanlegpersoneel naar beneden, ook oordeelde hij de titulatuur van „inspecteur" en „adjunct-inspecteur", beter dan die van „hoofdinspecteur" en „inspecteur".

10) Verwezen werd naar Stbl. 1865 No. 91 «rt. 3; Stbl. 1866 No. 127 art. 2 en Stbl. 1866 No. 132 art. 24. De Algemeene Secretarie teekende aan: „de spoorwegen staan onder B. O. W. (art. 4 van Stbl. 1866 No. 127)". Het is wel typeerend, dat onzekerheid heerschte omtrent het departement, waaronder de spoorwegen — zijnde toch middelen van vervoer en gemeenschap — ressorteerden.

Sluiten