Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze plotselinge klimming der uitgaven lokte by de N. I. S. M. ernstig protest uit. Op het desbetreffend schrijven van den Minister van Koloniën J. D. Fransen van de Putte van 26 Maart 1874 antwoordde de Raad van Beheer dd. 18 April d.a.v.

De heer Weyerman schrijft hierover in deel IA der Algemeene Mededeeling der S.S. No. 11 (Geschiedkundig Overzicht' van de totstandkoming der aan Spoor- en Tramweg Maatschappijen in N. I. verleende concessievoorwaarden enz.) : 1S)

„De Minister kon zich met die zienswijze in het geheel niet ver„eenigen.

„Indien al het bedoelde personeel toezicht uitoefende, dat buiten de „omschrijving van art. 25 der concessie viel, dan bleef zulks buiten bemoeienis der Maatschappij, omdat de Staat ook meer betaalde voor dat „toezicht dan van de Maatschappij werd gevorderd.

„De Raad van Beheer, van oordeel zijnde, dat het geeischte bedrag „nimmer kon weergeven de werkelijk voor het toezicht op het onderhoud „der lijn S|V uitgegeven sommen, omdat in vorige jaren veel minder was „betaald, persisteerde by zijne meening, dat de vordering onbillijk was.

„De Regeerings-Commissaris 14), om advies gevraagd, achtte het ver„zoek der Maatschappij billijk en gaf in overweging haar te belasten met „eene ronde som, vast te stellen óp ƒ 3.500.— 's jaars.

„De Minister van meening, dat eene ronde som niet kon worden „vastgesteld, omdat dan geen rekening werd gehouden met de voorschrif„ten der concessie, vroeg de meening van den landsadvocaat, die daarop „verklaarde, dat het Ryk alleszins bevoegd was om te handelen zooals gehandeld was en dat deze handelwijze ook billijk kon worden genoemd.

„Onder overlegging van dit advies, werd den Gouvernements-Com„missaris verzocht nogmaals met de N. I. S. M. in overleg te treden, waar„op den Hen Juni 1874 geantwoord werd, dat de rechtsgeleerde raadsman van de Maatschappij een advies had gegeven, lijnrecht in strijd met „dat van den landsadvocaat, waarom die Commissaris nogmaals op het „voorstel in zyn vorig schrijven terugkwam.

„De Minister antwoordde, dat hy wel genegen was eene wijziging „der betrekkelijke bepaling op verzoek van de N. I. S. M. te overwegen „in dien zin, dat b.v. voor „„hoogstens % per duizend van het aanlegkapi„taal"" zou worden gelezen: „„14 per duizend van het aanlegkapitaal"". „Op dit laatste voorstel antwoordde de Regeerings-Commissaris niet, maar „hy schreef een langen brief, waarin de billijkheid van het verzoek der „Maatschappij uitdrukkelijk op den voorgrond werd gesteld. Niet alleen „meende deze adviseur, dat aan die Maatschappij niet meer in rekening „zou mogen worden gebracht dan hetgeen inderdaad voor toezicht op het „onderhoud was uitgegeven, maar bovendien was hy van oordeel, dat de

13) BL 47.

14) De heer G. H. van Soest, die den heer van Sjwieten tijdelijk verving.

Sluiten