Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„25 „„in zóó vrijgevingen zin zou worden gewijzigd, dat omtrent zijne „toepassing voortaan geen verschil van meening meer zou kunnen ontstaan"".

„De minister van Goltstein besloot daarop 's Konings machtiging te „vragen op eene intrekking van de tweede alinea van art. 25, zoodat derhalve de N. I. S. M. in de toekomst in het geheel niet meer zou bijdragen „aan de kosten van toezicht.

„In zijn voordracht aan den Koning motiveerde hij dit voorstel op „de overweging, dat het zeer „„oneigenaardig is, dat van concessionaris,,„sen wordt teruggevorderd, hetgeen de Regeering betaalt aan het per„„soneel, dat van harentwege toezicht uitoefent op hunne handelingen. „„Het standpunt van de gouvernementsambtenaren tegenover de concessionarissen, die door hen gecontroleerd moeten worden, zou veel zuiver,,„der zijn, wanneer zij uitsluitend aan het Gouvernement hunne bezoldi„„ging ontleenden, en de concessionarissen aan die bezoldiging geheel „„vreemd bleven"".

„De minister van Financiën, 16) wien verzocht was mede te deelen of „hij zich met de voordracht kon vereenigen, antwoordde, dat hoewel niet „alle daarin genoemde beweegredenen hem even juist toeschenen, er bij „hem geen bedenkingen tegen zou zjjn haar te voorzien van de aanteeke„ning, dat hij zich met de strekking kon vereenigen. Het scheen hem „echter niet onbetwistbaar, dat de opheffing eener bepaling, welke den „concessionarissen geldelijke lasten oplegde, vreemd zou zijn aan het fi„nancieele stelsel der concessie.

„Bij besluit des Konings van 21 Maart 1875 no. 12 werd de gevraagde „machtiging verleend, terwijl de overeenkomst den 14en April 1875 door „beide partijen werd geteekend. In art. 2 van die overeenkomst werd be„paald, dat zij op 1 Januari 1876 zou in werking treden.

„Over 1874 en 1875 zou van de Maatschappij dan nog ingevorderd „worden een bedrag van ƒ 4.250.— 'sjaars of 14% van het aanlegkapi„taal, omdat by' de wet van de Indische middelen over 1875 reeds geregend was op de inkomst, die uit de toepassing van het artikel zou voortvloeien.

„De G. G. werd met dit alles den 20en April in kennis gesteld, waarna „deze by besluit van 16 Juni 1875 no. 16 verklaarde daarvan aanteeke„ning te hebben gehouden" 17).

Nadat door de wet van 6 Juni 1878 (Staatsblad no. 201) bepaald was, dat de lijnen Sidoardjo—Blitar-Madioen en Batavia—Tjitjalengka van staatswege aangelegd zouden worden, kwam de formatie van het personeel voor den algemeenen dienst en voor den aanleg der Staatsspoor-

16) Jhr. Mr. H. J. van der Heim.

17) Zie ook jaarverslag der N. I. S. M. ©ver het 12e boekjaar bl. 4 regel 5 v. 0.

Sluiten