Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onderafdeeling 80. Enkele leden meenden, dat er bij eventueele inkrimping van den dienst der Staatsspoorwegen geen overwegend beswaar tegen bestaan kon, om de afzonderlijke directie daarvan op te "heffen en dezen tak van dienst bij het Departement der burgerlijke openbare werken over te brengen.

„Onderafdeeling 83. Opnieuw werd aangedrongen op wegneming der „anomalie, dat de chef der exploitatie van de Staatsspoorwegen tevens „met het toezicht op de particuliere spoorwegen belast is".

Waarop de Minister antwoordde (Gedr. 31,1886—87. 4 No. 39 bl. 31):

„Onderafdeeling 80. Uit den aard der zaak zal de beoordeeling der „vraag, in hoever de bestaande organisatie van den dienst der Staatsspoorwegen te behouden of te veranderen is, afhankelijk moeten blijven "van de te nemen beslissingen omtrent den verderen aanleg van Staatsspoorwegen en omtrent de exploitatie dier spoorwegen.

„Onderafdeeling 83. Ook ten aanzien van de regeling van het toezicht „op de particuliere spoorwegen zal, gelijk de ondergeteekende ten vorigen „jare bij de behandeling der Indische begrooting (Memorie-van Antwoord „op het Voorloopig Verslag) aantoonde, eene definitieve beslissing eerst "kunnen genomen worden nadat zal zijn uitgemaakt hoe de Staatsspoorwegen in het vervolg zullen geëxploiteerd worden". 2Ba)

Toen in 1883 met intrekking van het Algemeen Reglement voor de spoorwegdiensten in N. I. van 1866 (Stbl. no. 132) een nieuw Algemeen Reglement (A. R. I.) werd ingevoerd 2«), tegelijk met een Algemeen Reglement op den aanleg en de exploitatie van stoomtramwegen voor pu-

25a) Zie ook Indische Spoorwegpólitiek deel V Hoofdstuk II § 5.

26) Ordonnantie van 9 Dec. 1883 Stbl. 1883 No. 277; dit reglement zou in werking treden op 1 Juli 1884. Bö Stbl. 1884 No. 87 werd bepaald, dat het tijdstip van injwerkingtreding nader zou worden bekend gemaakt Bij ordonnantie van 3 Nov. 1885 (Stbl. 1885 No. 184) werd een nieuw A.R.I. vastgesteld, dat 1 Januari 1886 in werking trad.

Hoe onaangenaam dit opschorten van de'nieuwe spoorwegwetgeving voor den heer Derx was, moge blijken uit de rede van den heer J. J. van Kerkwijk, commissaris der N. I. S. M., in de zitting der Tweede Kamer van 13 November 1885 (Handelingen 1885-^86. II bl. 431). De heer K. zeide: „De heer Cremer beroept zich op het gevoelen „van den inspecteur-generaal. Ik heb zulk een vertrouwen niet in de inzichten van "den inspecteur-generaal. Ik herinner slechts aan eene zaak, die ook aan den heer „Cremer bekend is.

„Toen het reglement op de Indische Spoorwegdiensten door dien ïnspecteur„gen'éraal is ontworpen en door de Regeering was vastgesteld, heeft de Gouverneur-

.Generaal van Rees het geschorst voor biet in werking kwam tengevolge van ïnge'„komen bezwaren tegen dat reglement! Noch deze Minister noch de Gouverneur'^Generaal hebben aan dat reglement, niettegenstaande de inspecteur-generaal er op

,aandrong, hunne goedkeuring gegeven. Hoe hoog deze autoriteit dus is, die de inspecteur in de oogen van den heer Cremer heeft, zjj wordt noch door de Regeering, „noch door den Gouverneur-Generaal erkend".

Sluiten