Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De inhoud van dit schrijven, waarvan geen afschrift aan den heer Derx werd verleend, kwam hierop neer dat de heer Kroesen het toezicht en de Staatsspoorwegen elk onder een afzonderlijken aan hem ondergeschikten hoofdambtenaar wilde brengen, die zich dan tot den Directeur der B. O. W. zou verhouden als de Chefs van het Stoomwezen en van den Postdienst. Overigens wordt verwezen haar bijlage XXIX waar de brief in zijn geheel is opgenomen.

Onderwijl had de heer Derx ook een concept-Algemeen Reglement voor den aanleg en de exploitatie voor stoomtramwegen aangeboden, gelijktijdig met een stel „Bepalingen, betrekkelijk de vereischten, waaraan „aanvragen om concessie voor aanleg en exploitatie van stoomtramwegen in N. I. moeten voldoen" (brieven van 18 Oct. 1881 No. 52 en 9 Dec. 1881 No. 5912).

De heer Kroesen oordeelde een stel „Voorwaarden, waarop in het „algemeen vergunning kan worden verleend voor den aanleg en de exploitatie van stoomtramwegen voor publiek verkeer in N. I." als door hem ingediend beter, waarmede de heer Derx het weder niet eens was. De Directeur der B. O. W. volhardde echter bn' zijne zienswijze, vaststelling der „Voorwaarden" bij besluit achtte hij „nuttig, noodig en uit verschillende oogpunten heilzaam", vaststelling der „Bepalingen bij „ordonnantie eensdeels ongenoegzaam, anderdeels onnoodig, overtollig, „belemmerend en dus verkeerd".

Het geheele dossier — A. R. I., A. R. III, Bepalingen, Voorwaarden en Instructie — werd met de adviezen van den Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof en van den Directeur van Justitie in handen van den Raad van Indië gesteld.

In zijn advies van 18 Febr. 1882 No. X oordeelde de Raad, dat de kwestie onvoldoende voorbereid was, met name keurde de Raad het af, dat de Inspecteur-Generaal niet over de splitsing van S.S. dienst en toezicht gehoord was geworden: „Hn' (de Inspecteur-Generaal) is de aangewezen persoon, die zoowel door zijn werkkring, als zijn kennis en onderbinding het best in staat is in deze belangrijke kwestie voor te lichten, „terwijl van hem als trouw en eerlijk Staatsdienaar mag, ja, moet worden „verwacht, dat hij zich van persoonlijke, eigenbelangzuchtige considera„tiën by de vestiging van zijn oordeel zal weten vrij te houden".

Bij missive van den lsten Gouvernements Secretaris van 22 Mei 1882 No. 797 werden de stukken aan den Directeur der B. O. W. gerenvoyeerd met verzoek om omwerking — zooveel noodig — der voorstellen en bespreking met den Inspecteur-Generaal.

De heer Derx stak zijn gevoeligheid over de hem ten laste gelegde „pogingen tot emancipatie waartegen moest worden gewaakt", niet onder stoelen en banken. Hn' weerlegde dit uitvoerig aan de hand der bestaande regelingen.

Sluiten