Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In zijn brief van 18 Juni 1884 No. 2427 geheim, gericht aan den nieuw opgetreden Gouverneur-Generaal O. van Rees, wees de heer Derx er op, dat tot nog toe het toezicht alleen gold de particuliere spoorwegen, terwijl dat toezicht door hem werd uitgeoefend krachtens art. 2 zijner instructie (G. B. van 13 Juni 1879 No. 6). Na vermeld fe hebben wie met het toezicht waren belast, personen, die ten deele dat toezicht uitoefenden gelijktijdig met hunne andere diensten bh' de S.S., vervolgde de Inspecteur-Generaal: „Het hier bedoelde toezicht is opnieuw in hoofdtrekken „geregeld by' de artikels 27 tot en met 34 van het op 1 Juli a.s. in werking „tredende algemeene reglement op de Spoorwegdiensten in N. L (Stbl. „1883 No. 277) en daar dat reglement volgens art. 256 ook volledig van „toepassing is op de Staatsspoorwegen zullen nu mede de ambtenaren „moeten worden aangewezen, die beginnende met 1 Juli a.s. het algemeen „en dagelijksch toezicht op de in exploitatie zijnde Staatsspoorwegen zul„len uitoefenen."

De heer Derx wees er vervolgens op dat volgens art. 1 der „Bijzondere Voorschriften enz" (zie boven) het toezicht uitgeoefend werd door een door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen hoofdambtenaar met den titel van Hoofdinspecteur der Spoorwegdiensten, welke aanwijzing had plaats gevonden bjj art. 3 van het G. B. van 9 Dec. 1883 No. 1 (Stbl. 279). Daarna besprak hy de wenschely'kheid om 2 inspecteurs voor de exploitatie aan te stellen, één voor het rollend materieel, 2 adjunct-inspecteurs en 8 opzichters. De inspecteurs zouden hun functiën kunnen waarnemen gelijk met die by' de S.S., niet alzoo de adjunct-inspecteurs en de opzichters, die het dagelijksch toezicht zouden moeten uitoefenen.

„Voorshands zoolang het toezicht niet meer personeel vordert en een „deel van dit personeel nog diensten presteert voor de Staatsspoorwegen," achtte de heer Derx „het niet nuttig noch wenschelijk" om een afzonderlijke formatie en bepaalde bezoldigingen vast te stellen, doch oordeelde hy' het ook om de geldelijke gevolgen beter voorloopig ambtenaren van de S.S. voor het toezicht aan te wy'zen.

Met al deze beschouwingen en voorstellen ging het Departement der B. O. W. accoord.

By ordonnantie van 17 Juni 1884 (Stbl. No. 87) werd evenwel het in werkingtreden van het A. R. I. opgeschort; naar aanleiding daarvan werd daarop bij M. A. S. van 25 Juni Lett. d.o.v. K. 3 aan den Inspecteur Generaal de vraag gesteld of er geen aanleiding bestond de benoemingsbesluiten van het toezichtpersoneel voorloopig terug te nemen. Den 2den Juli 1884 No. 2624 werd hieraan gevolg gegeven, de toestand bleef zooals hy was, wy'1 de instructie van den Inspecteur-Generaal ongewijzigd bleef en eveneens de omvang van het toezicht.

Toen echter het nieuwe A. R. I. (Stbl. 1885 No. 184) vastgesteld en de Inspecteur Generaal uitgenoodigd was op zyn voorstellen van 18den Juni 1884 terug te komen, vestigde de heer Derx er in de eerste plaats

Sluiten