Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de aandacht op, dat de „Bijzondere Voorschriften", vastgesteld bij art. 2 van het G. B. van 9e Dec. 1883 No. 1 (Stbl. No. 279) verband hielden met het A. R. Ü van 1883 en dus niet meer verstaanbaar waren. In de 2de plaats breidde de Inspecteur-Generaal de lengte van 100 K.M. door een opzichter te bereizen uit tot 120 K.M., zoodat in verband met de gestegen lengte der spoorwegen hetzelfde aantal van 8 opzichters benoodigd bleef, (brief van 19 Dec. 1885 No. 5995).

Met de voorgestelde wijzigingen in de voorschriften kon de Directeur der B. O. W., de heer Janssen van Raay, zich, blijkens schrijven van 30 Dec. 1885 No. 142, gereedelijk vereenigen. Met de personeelskwestie echter niet • het geldt thans toch niet meer zooals vroeger het aanwijzen van een „werkking aan ambtenaren van de S.S., bedoeld bij art. 4 der instructie ,,van den Inspecteur-Generaal, Chef van den dienst der S.S., maar de "benoeming van personen tot betrekkingen niet tot den dienst der S.S. dehoorende en wier bezoldigingen ten laste van art. 422 der Begrooting „komen".

Het voorstel maakte op den Directeur der B. O. W. den indruk „zeer „weinig doordacht te zijn". Voorts werd aangeteekend dat de voorgestelde benoemingen niet geschikt waren aan het vermoeden voedsel te geven, dat daarbij het belang van sommige ambtenaren op den voorgrond stond, „omdat de geheele zoogenaamde regeling van het toezicht in hoofdzaak "schijnvertoon en eene nuttelooze door niets gewettigde geldverspilling

„zoude zjjn". . ,

De heer Janssen van Raay betoogde verder dat het toezicht bedoeld in art. 24 van het A. R. I. van 1885, nagenoeg geheel de uitoefening van den spoorwegdienst door de ondernemers, bestuurders of hun lasthebbers betrof. Zoolang dus de bepaling van art. 3 van Stbl. 1883 No. 279 van kracht was en het toezicht aan den bestuurder der S.S. was opgedragen, bestond voor dezen het toezicht niet en zou dit dus uitsluitend de bijzondere spoorwegdiensten betreffen. De Directeur vervolgde: „het aanstellen van „inspecteurs en opzichters om zoogenaamd toezicht op den Staatsspoorwegdienst uit te oefenen, zoude dus niets dan schijnvertoon, dat toezicht zelf ",een wassen neus zijn, waarover in de eerste plaats de bedoelde ambtenaren zeiven zouden lachen".

Uit de vroeger terzake gevoerde correspondentie, de mededeelmg van den Minister van Koloniën in de Tweede Kamerzitting van 12de Juni 1884 en het in het Voorloopig Verslag der Indische Begrooting voor 1886 opgemerkte zou blijken dat bij het voorloopig behoud van de bestaande regeling gedacht was aan een toezicht, door den chef van den S.S. dienst als zoodanig uit te oefenen, terwijl het bij art. 24 van het A. R. I. bedoelde toezicht alleen gold voor de bijzondere spoorwegen.

Overigens oordeelde de heer Janssen van Raay het voorgestelde toezicht veel te weelderig ingericht en werd daarop een vinnige kritiek geleverd. Het slot was, dat de Regeering in overweging gegeven werd om

Sluiten