Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in de voorstellen van den heer Derx te treden, doch dezen te kennen te geven, 1ste dat bij de bestaande regeling het toezicht alleen de particuliere spoorwegen betrof en 2de dat voor het dagelijksch toezicht met opzichters volstaan kon worden; onder verstrekking van een opdracht om een wijziging van Stbl. 1883 No. 279 en een formatie van het toezichthoudend personeel, afgescheiden van de S.S. formatie, voor te stellen.

Tenslotte vermeende de Directeur der B. O. W. niet te mogen verzwijgen, dat hij het instellen van een los van den dienst der S.S. staand en ook dezen omvattend staatstoezicht als bedoeld bh' art. 24 van het A. R. I. zeer in het belang van den staat en van het algemeen achtte. Waarop deze meening berustte werd niet aangegeven.

Het advies van den Raad van Indië (28den Januari 1886 No. X) was zeer kort. Waar de vraag nog hangende was of de Staatsspoorwegen aan particulieren verkocht of in exploitatie gegeven zouden worden 31) en geen urgentie bestond om den bestaanuen toestand te wijzigen, daar adviseerde het college om „het brengen van wyziging in den tegenwoordigen „toestand betrekkelijk het toezicht op de particuliere spoorwegen vooreerst te laten rusten".

Het lid van den Raad van Indië J. A. de Gelder, kon zich met deze beschouwing niet vereenigen en 'egde daarom een afzonderlijk advies over. Daarin werd eerst de voorgeschiedenis van af 1882, welke boven reeds werd behandeld, opgehaald. Ten aanzien van de principieele bestrijding door den heer Janssen van Raay, welke voornamelijk haren grond zou vinden „in de overweging, dat zoolang de Chef van den Dienst „der Staatsspoorwegen belast is met het toezicht op de Spoorwegdiensten, „hy dat toezicht wat betreft de Staatsspoorwegen uitoefent in zy'ne quali„teit van Chef van dien Dienst en daarvoor niet de assistentie van speci„aal personeel behoeft" werd vermeld, dat deze zienswijze hem — den heer de Gelder — juist voorkwam. Immers by' de Staatsspoorwegen is „de Chef „van den dienst de bestuurder van de spoorwegen. Het is onnoodig dat de „handelingen van den Dienstchef worden gecontroleerd door hem zeiven al „zy het in zy'ne qualiteit van Inspecteur-Generaal". Ook zou het een anomalie zyn, „indien die controle op zy'ne plichtsvervulling werd uitge„oefend door aan hem ondergeschikt personeel".

Naar aanleiding van het door den heer Janssen van Raay aangevoerde denkbeeld om een toezicht op de Staatsspoorwegen te creëeren, schreef de heer de Gelder, dat de oprichting,van een college als in Holland de bezwaren tegen een enkelhoofdig toezicht in 1881 door den heef Derx geopperd, zouden wegnemen. Immers dan zou het werk niet voor één persoon, die niet over een deskundigen staf van personeel beschikt, te veelomvattend worden..

31) Zie Indische Spoorwegpólitiek deel I Hoofdstuk I § 4 en deel V Hoofdstuk II § 3 e.v.

16

Sluiten