Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsspoor- en Tramwegen, de heer M. H. Damme aan de Regeering :

„Wellicht zou de organisatie van 1888 beter aan de verwachtingen „beantwoord hebben indien de spoorwegen op Java zich inderdaad had„den ontwikkeld in het langzame tempo, dat men zich destijds blijkbaar "dacht. De omvang van den toekomstigen aanleg dacht men zich zoo klein, ',onzeker en wisselvallig, dat slechts met tijdelijk personeel gewerkt zou Imogen wordep; voor den exploitatiedienst stelde men zich eene ontwikkeling voor, die zich grootendeels binnen de eenmaal vastgestelde „groote lijnen zou kunnen voltrekken.

„De werkelijkheid is anders geweest.

„Al spoedig deed zich de behoefte aan verdere uitbreiding van het „net in verhoogde mate gevoelen. Van vermindering van den aanleg was "geen sprake en met den voortgang van den aanleg stegen ook lengte ,,en beteekenis der exploitatie-kringen. In het decennium van 1888 tot "l898 verdubbelde niet alleen de lengte der in exploitatie zijnde lijnen "nagenoeg, maar was datzelfde het geval met hunne opbrengst. Bovendien veranderde ook het karakter van het verkeer in zooverre, dat de .[exploitatie-kringen, die in 1888 nog 3 nagenoeg geheel op zichzelf staan„de deelen vormden, met elkander in verbinding werden gebracht eensIdeels door den aanleg der lijn Preanger—Tjilatjap, die eind 1894 voor ",het publiek werd opengesteld en die de lijn Djokja—Tjilatjap met de "overige Westerlijnen verbond, anderdeels door den aanleg van de 3e rail "op 't baanvak Djokja—Solo, welke krachtens de in 1895 tusschen het "gouvernement en de N. I. S. Mij gesloten overeenkomst tot stand kwam „en doorgaand verkeer tusschen Ooster- en Westerlnnen mogelijk

„maakte^ ^ ^ ^ behoefte aan eene krachtige en stelselma¬

tige" leiding van het spoorwegbedrijf in zijn geheel in veel sterker mate "gevoelen, dan men zich aanvankelijk had voorgesteld. De eenheid van "opzet en beginselen, die vóór 1888 verkregen was, dreigde verloren te "gaan. De vaste besturende hand, die zorgt dat de verschillende onderdeelen op gelijk peil blijven en op doeltreffende wijze bij elkaar aanfluiten, ontbrak. Een deskundig leider, die tijdig de maatregelen weet te 'treffen,, die met 't oog op de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf "genomen moeten worden, die 't zoo noodig daartoe in nieuwe banen "weet te leidèn, was niet aanwezig. De exploitatie- en aanlegchefs hadden "ieder voor zich een veel te beperkt arbeidsveld en daarmede een te klei"nen gezichtskring om aan die eischen te kunnen voldoen. De Directeur "der Burgerlijke Openbare Werken, die hun directe Chef was, was geen "vakman, terwijl de aard van zijn ook overigens steeds meer omvattenden ' werkkring hem geen gelegenheid liet, zich van de directe nooden en behoeften van het aan zijne algemeene leiding toevertrouwde, zich zoo "snel ontwikkelend spoorwegbedrijf volledig op de hoogte te stellen en

Sluiten