Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Juni 1903 door den heer J. L. Cluysenaer en Januari 1904 door den heer J. Th. Gerlings.

Deze laatste deskundige, die zelf door zijne verhouding tot de Indische tramwegen in hooge mate geïnteresseerd was bij een juiste regeling van het toezicht op de particuliere spoor- en tramwegmaatschappijen schreef dienaangaande:

„Tot dusverre is de werkkring van het Departement der B. O. W. „in hoofdzaak besproken in verband met de hoofdleiding van den Staats„spoorwegdienst.

„Een tweede belangrijk onderdeel zijner taak op het gebied der „spoorwegen bestaat in het toezicht op de particuliere spoor- en tram„wegdiensten.

„Overal waar de Staat zelf spoorwegen exploiteert, is het een hoogst „moeielük vraagstuk dit toezicht zoodanig te regelen, dat het op onpartijdige en toch deskundige wijze wordt uitgeoefend.

„Ik stem ten volle in met de zienswijze der heeren de Meyier (blz. „1701) en Cluysenaer (blz. 836), dat het toezicht op de particuliere spoor„en tramwegdiensten niet mag worden samengesmolten met het beheer „der Staatsspoorwegen.

„Intusschen is het ook bij dit toezicht van groot belang, dat de Directeur worde voorgelicht door volkomen deskundig personeel. Uit dien „hoofde is geene andere regeling mogelijk, dan ook de aangelegenheden „betreffende dat toezicht in behandeling te geven aan de afdeeling Spoorwegen, met dien verstande evenwel dat alle beslissingen tegenover de „particuliere spoor- en tramwegen, voor zooverre die niet aan den Gouverneur-Generaal zijn voorbehouden, behooren te worden genomen door „den Directeur zeiven zonder bevoegdheid tot delegatie aan den Hoofdinspecteur.

„De Inspecteurs van het toezicht behooren — als thans — rechtstreeks te staan onder den Directeur der B. O. W.

„De samenkoppeling van het Stoomwezen heeft tot dusverre niet „ondoelmatig gewerkt en kan dus bestendigd worden zoolang de omstandigheden niet aanmerkelijk veranderen".

In zijn Nota van 25 Juni 1904 bracht de heer H. F. van Stipriaan Luiscius, toenmaals waarnemend Hoofdingenieur van de afdeeling Spooren Tramwegen en het Stoomwezen van het Departement der B. O. W. met verlof in Holland zh'ne zienswijze ter kennis van den Minister. Ten opzichte van het „toezicht" schreef hij:

4) J. E. de Metier: Het beheer der spoorwegen in N.-I. Ind. Gids 1902 bl. 1697. J. L. Cluysenaer: Het Departement der B. O. W. en het beheer der spoorwegen in N.-I. Ind. Gids 1903 bl. 825.

J. Th. Gerlings: De hoofdleiding van het spoorwegwezen in N.-I. Ind. Gids

Sluiten