Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„stelsel tot uitvoering brengen, dan zou zulks neerkomen op eene belangrijke uitbreiding van het aantal aan den dienst van het toezicht verbonden ambtenaren, vorderende een zeer aanzienlijke jaarljjksche uitgave.

„Waar nu gebleken is, dat de werkelijke toestand in hoofdzaak aan „de behoefte, zooals die hier te lande bestaat, voldoet, is eene kostbare „reorganisatie als vorenbedoeld niet gewettigd en dienen veeleer de bepalingen in aansluiting aan den bestaanden toestand te worden ontworpen. Reeds die aansluiting, waarbij er naar gestreefd is ieders aandeel „in het toezicht duidelijk aan den dag te doen treden en een stelselmatig „geheel te verkrijgen is als eene niet onbelangrijke verbetering te beschouwen.

„De regeling is zoodanig getroffen, dat de algemeene leiding en de „beslissing in geschillen aan den Directeur der Burgerlijke Openbare „Werken blijft voorbehouden, terwijl de feitelijke uitoefening van het „algemeen toezicht wordt opgedragen aan den Hoofdinspecteur der „spoor- en tramwegdiensten en wat het toezicht op de stoomketels aan„gaaft, aan den hoofdingenieur van het stoomwezen.

„Rechtstreeks aan deze hoofdambtenaren ondergeschikt zijn de ambtenaren, belast met het dagelijksch toezicht. Dat toezicht is te splitsen „in 3 onderdeelen, nl. 1ste het toezicht op weg en werken, hetwelk ook „thans door spoorwegopzieners wordt uitgeoefend, 2de het toezicht op het „rollend materieel, hetwelk tot dusverre, voor zoover hun mogelijk was, „door de inspecteurs zelve werd uitgeefend, en 3de het toezicht op dé „stoomketeis, dat aan ambtenaren van het stoomwezen moet blijven toevertrouwd.

„De alinea's 2 en 4 zijn ongewijzigd uit het bestaande reglement „overgenomen. Eerstbedoelde alinea wijkt in zooverre af van het nu gehuldigde systeem, van volkomen zuivere omschrijving van den feitehj„ken gang van zaken, dat de daarin toegekende bevoegdheid in hoofdzaak „bedoelt den Hoofdinspecteur gelegenheid te geven om speciale aangelegenheden door ambtenaren der afdeeling spoor- en tramwegen van het „Departement der Burgerlijke Openbare Werken te doen onderzoeken. „De bestaande en aangehouden redactie kent hem echter die bevoegdheid „niet rechtstreeks toe en maakt in zoodanige gevallen de tusschenkomst „van den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken noodzakelijk.

„Hoewel ongaarne was men genoopt deze inconsequentie te aanvaarden „omdat over het personeel der afdeeling slechts dan door den Hoofdinspecteur zelfstandig zou kunnen worden beschikt, wanneer ook overigens „die afdeeling geheel tot een bureau van den Hoofdinspecteur werd getransformeerd.

„Daargelaten of zoodanige transformatie al of niet wenschelijk zoude „zijn, kon er thans niet aan gedacht worden eene wijziging van zoo verre „strekking en ingrijpenden aard aan de onderhavige spoedeischende aangelegenheid te verbinden.

Sluiten