Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Daarom is, gelijk gezegd, deze afwijking van het gevolgde stelsel „aanvaard.

„Alinea 4 is gelijkluidend met de bestaande alinea 2 van art. 160. Ze „wordt in art. 25 beter op hare plaats geacht".

Ten opzichte van het A.R. II gold bij het wijzigen van het analoge artikel dezelfde overweging.

Betreffende de artt. 17 en 18 van het A.R. III werd het volgende opgemerkt:

Ad. art. 17. „De reorganisatie van het stoomwezen en de daarmede „gepaard gaande afscheiding tusschen dien dienst en het toezicht op de „spoor- en tramwegen, maakt het noodzakelijk de bestaande regeling van „het toezicht op de tramwegen in de eerste plaats vervat in de artt. 17 „t|m. 19 en verder opgenomen in artt. 20 t|m. 23, te herzien.

„De artt. 17, 18 en 19 komen, behoudens kleine verschillen van ondergeschikte beteekenis, overeen met de artt. 14, 15 en 16 van het in 1883 „vastgestelde eerste tramwegreglement (Staatsblad No. 278).

„Uit de tot het ontwerpen van dat reglement geleid hebbende stukken blh'kt, dat de toerfmalige Directeur der Burgerlijke Openbare Werken van oordeel was, dat het toezicht op de tramwegdiensten niet aan „den Inspecteur-Generaal, Chef van den Dienst der Staatsspoorwegen op „Java, tot wiens attributen dat toezicht krachtens Staatsblad 1879 No. 214 „destijds behoorde, moest worden onttrokken. In het schrijven dd. 21 „Februari 1881 No. 1730|c van eerstgenoemden hoofdambtenaar, waarin „die zienswh'ze uitvoerig is toegelicht, wordt vooral de nadruk gelegd op „het gemis aan ervaring van spoor- en tramwegaangelegenheden, hetwelk den ingenieurs en opzichters van den Waterstaat en 's Lands Burgerlijke Openbare Werken noodwendig moet aankleven en op de onvoldoende uitoefening van het toezicht, welke een gevolg moet zyn van het „opdragen daarvan als bijbetrekking aan ambtenaren, die reeds een veelal „drukken, op geheel ander terrein liggenden, werkkring hebben.

„Blijkens den daarop gevolgden Indischen brief van 18 Maart 1881 „No. 504|5 waren echter de toenmalige Landvoogd en de Raad van ïhdië „van gevoelen, dat vereeniging in eene hand van het beheer van den pu„Wieken weg en het toezicht op den daarlangs aangelegden tramweg van „overwegend belang moest worden geacht, terwy'1 het toezicht op verspreid liggende tramwegen bezwaarlijk aan ambtenaren kon worden opgedragen wier standplaats ver daarvan verwijderd zou wezen.

„In hoeverre laatstbedoelde zienswijze ten aanzien der toenmalige „toestanden juist was, kan hier in het midden worden gelaten, doch zeker „is het, dat de ontwikkeling van het verkeer op de tramwegen, de groote „uitbreiding der Innen en de vele aansluitingen onderling en aan spoorwegen, het karakter der tramwegen zoodanig hebben gewijzigd, dat de „indertijd verkozen regeling van het toezicht niet wel meer te verdedigen

Sluiten