Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„toezicht uit handen van op geheel ander terrein werkzame personen, „overgaat op een ervaren en deskundig hoofdambtenaar, voor wien dergelijke zaken tot de dageljjksche bezigheden behooren, als een verbetering te beschouwen.

Ad art. 18 A.R IIII vermeldde de M. v. T:

„Uit den aard der zaak behoort de regeling van het dagelijksch toedicht zich aan te sluiten bij die voor het algemeen toezicht. Waar het „noodzakelijk wordt geacht het laatste in hoofdzaak aan dezelfde deskundige hoofdambtenaren op te dragen, die met het algemeen toezicht op de „spoorwegdiensten zijn belast, dienen 'zjj in de uitoefening daarvan op „analoge wijze door deskundig personeel voor het dagelijksch toezicht te „worden bijgestaan.

„De regeling is dus op overeenkomstige wijze ontworpen, als in artikel 25 van het algemeen reglement voor de spoorwegdiensten en behoeft „mitsdien op zich zelve geen verdere toelichting.

„Alleen zij er op gewezen, dat zoowel in artikel 17 als 18 uitdrukkelijk gesproken wordt van toezicht op aanleg en exploitatie hetgeen „verband houdt met de weglating der 4de alinea van artikel 13 der alge „meene concessievoorwaarden, waaromtrent in de daarbij gegeven toelichting het noodige is medegedeeld.

„Het ligt in de bedoeling het toezicht op weg en werken op ta „dragen aan de 3 thans reeds aanwezige spoorwegopzieners, respectievelijk geplaatst te Batavia, Solo en Medan. De zeer geringe omvang, „dien de eigenlijke werkkring dier ambtenaren tot dusverre had, leidde er „toe hun ook werkzaamheden ten behoeve van het stoomwezen te doen „verrichten, waardoor nog wel geen ruim, maar toch een redelijk profijt „van hun arbeidsvermogen getrokken wérd. Na de reorganisatie van het „stoomwezen kan van hunne diensten voor dergelijke aanvullingswerk„zaamheden geen partij meer worden getrokken en bly ft slechts een zeer „weinig omvangrijke werkkring voor die ambtenaren over. Deze omstandigheid maakt het mogelijk om het toezicht op de tramwegen wat weg „en werken betreft aan de thans in dienst zijnde spoorwegopzieners op ,[te dragen. Voor Batavia en Medan, waar de werkkring der opzieners ook „dan nog weinig omvangrijk 'blijft, dient hun tevens het toezicht op het „rollend materieel te worden opgedragen, hetwelk zich, evenals thans, tot „keuring bij de indienststelling kan bepalen.

„Voor Midden- en Oost-Java zullen een of twee werktuigkundige ambtenaren voor het toezicht op het rollend materieel móeten worden ia „dienst gesteld, waarop bij de begrooting gerekend is.

„Op die wijze zal, zonder aanmerkelijke verhooging van lasten, een „organisatie van het toezicht worden verkregen, die ongetwijfeld meer „waarborgen voor goede uitoefening daarvan biedt dan de bestaande en die zoo de ontwikkeling van het verkeerswezen zulks noodig maakt,

Sluiten