Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Van den Dienst der Staatsspoorwegen op Java (Staatsblad 1879 tfo. „219). Toen echter in 1888 de zelfstandigheid der Staatsspoorwegen werd „opgeheven, werd ook het toezicht op den aanleg van particuliere spoorwegen anders geregeld en opgedragen aan ambtenaren van den WaterStaat.

„Nu men op de regeling van 1888 is teruggekomen is het rationeel „ook dat toezicht weder in deskundige handen te brengen, door het, met „behoud van de leiding van den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken op te dragen aan de ambtenaren, die ook met het toezicht op de „exploitatie van particuliere spoorwegen belast zyn.

„Het slot der ontworpen bepaling geeft gelegenheid om, by uitge„breiden aanleg, ook andere, op spoorweggebied ervaren ambtenaren met „het .toezicht te belasten".

In den brief 17 Oct. 1908 No. 15940|SS schreef de heer va* Goor alsnog:

„Alleen zij nog opgemerkt, dat bij de gewijzigde regeling van het „toezicht op de tramwegen naar dz.z. meening niet behoeft te worden „vermeld, dat zulks geschiedt in afwijking van het besluit opgenomen in „Stbl. 1879 No. 214 zooals dat werd aangevuld by Stbl. 1881 No. 132 omdat sinds de snelheidsgrens in het reglement van 1893 (Stbl. No. 190) „op 25 KM. is gebracht, bedoeld besluit niet meer van toepassing kan „worden geacht".

Voorts werd het niet noodig geacht om Koninklijke machtiging te vragen in zake de vaststelling der bepalingen betreffende de ambtenaren belast met het dagelijksch toezicht op dé spoor- en tramwegdiensten, zulks in verband met eene opmerking in de Ministerieele depêche van 4 Augustus 1908 No. 4111295.

Vat men al het betreffende de reorganisatie van 1909 hierboven vermelde te zamen, to) dan was de feitelijke toestand — welke tot 1917 zou voortdurend—aldus:

Het algemeen toezicht op de spoorwegdiensten was geregeld in Hoofdstuk II van het A.R. I en A.R. II en werd uitgeoefend door den Hoofdinspecteur der Spoor- en Tramwegdiensten onder de bevelen van den Directeur van Gouvernements Bedrijven en voor zoover de naleving der bepalingen betreffende de locomotiefketels aangaat, door den Hoofdingenieur van het Stoomwezen, onder de bevelen van den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken.

6a) Een zeer beknopt doch uitermate duidelijk overzicht van de wording van het Toezicht tot 1914 wordt aangetroffen op blz. 44 en 45 van het (Eerste) Verslag betreffende het Spoor- en Tramwegwezen in N.-I. over 1914.

Sluiten