Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het dagelijksch toezicht werd, met inachtneming van de „Bepalingen" vastgesteld bij Staatsblad 1909 No. 191, ■>) uitgeoefend door aan den Hoofdinspecteur ondergeschikte spoorwegopzieners voor weg en werken en voor het rollend materieel en, wat de locomotiefketels aangaat, door ambtenaren van den dienst van het stoomwezen.

Bovendien oefenden door den Gouverneur-Generaal aan te wijzen ambtenaren van den Burgerlijken Geneeskundigen Dienst toezicht Uit op de middelen tot het verleenen van hulp aan en het vervoer van gekwetsten. 8)

Het toezicht op den aanleg van particuliere spoorwegen was, krachtens het vermelde in Stbl. 1909 No. 191, onder de bevelen van den Directeur van Gouvernements Bedrijven mede opgedragen aan den Hoofdinspecteur der Spoor- en Tramwegdiensten en daartoe door den Hoofdinspecteur aan te wijzen spoorwegopzieners, dan wel andere te zijner beschikking staande ambtenaren.

Het algemeen toezicht op den aanleg en de exploitatie van tramwegen werd naar de aanwijzingen van den Directeur van GouvernementsBedrijven uitgeoefend door den Hoofdinspecteur der Spoor- en Tramwegdiensten, door de Hoofden van gewestelijk bestuur en, voor zoover het toezicht op de naleving der bepalingen betreffende de stoomketels van locomotieven en motorwagens aanging, door den Hoofdingenieur van her Stoomwezen, naar de aanwijzingen van den Directeur der Burgerlijke Openbare Werken. Het verdere toezicht werd op dezelfde wijze geregeld als voor de spoorwegen.

Alvorens na te gaan waarom de thans verkregen regeling, van het toezicht eigenlijk niemand bevredigde en welke stappen gedaan werden om tot eene andere regeling te komen, zij vérmeid, dat art. 12 van het in 1915 bij Staatsblad No. 629 afgekondigde Stadstramwegreglement (A. S. T. R.) als volgt luidde:

„Toezicht (1). Op den aanleg, het onderhoud en de exploitatie van „den tramweg, wordt van Regeeringswege toezicht uitgeoefend voor zoo„ver de noodzakelijkheid daartoe uit dat reglement dan wel uit door den „Gouverneur-Generaal krachtens het tweede lid van art. 3 der Algemeene „Regelen, vastgesteld bij het K.B. van 12 Juni 1915 No. 44 (Ind. Stbl. „No. 506) gestelde voorwaarden volgt

„2) Dat toezicht wordt, naar de aanwijzingen van den Directeur „van Gouvernementsbedrijven, uitgeoefend door of van wege den Hoofd„mspecteur der Spoor- en Tramwegdiensten en voor zoover het toezicht op

v 11 ~3£ ^« aart 1909 N°- 7' later «"^«W b« G.B. van 13 October 1909

ÏÏm J L?°- 95)' 29 Juni 1911 Na 42 (Stbl- No- 393> en 26 Juli 1912 No. 22 (Jstbl. No. 413).

No. % (BmlTïoSlT* ^ ^ G°UVernementS Besluit" Van 2 Januari 19"

Sluiten