Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„de naleving der bepalingen betreffende de stoomketels van locomotieven „en motorwagens aangaat, naar de aanwijzingen van den Directeur dec „Burgerlijke Openbare Werken door den Hoofdingenieur van het Stoomwezen".

Verder zij vermeld dat het toezicht in 1916 eene belangrijke uitbreiding verkreeg, door de dienst- en rusttn' denregeling van het personeel der spoor- en tramwegen — met uitzondering van dat op de stadstramwegen aan de supervisie van den Directeur van Gouvernements Bedrijven

te onderwerpen. (G.B. van 23 Sept. 1916 No. 28 Stbl. No. 67).

Aanleiding hiertoe was geweest de vraag of strafbepalingen tegen staking van spoor- en tramwegpersoneel a 1'instar van de Hollandsche regeling van 1903 in het nieuwe Wetboek van Strafrecht in N. I. opgenomen zouden moeten worden. 9) Nadat alle Indische adviseurs zich daar unaniem tegen hadden verklaard, bleef het vraagstuk der rechtspositieregeling in studie en werd het Comité van Bestuur der N. I. S. M. en de administrateur der Deli Spoorweg Maatschappij bij brief van 18 September 1914 No. 11389 door den Directeur van Gouvernementsbedrijven, den heer R. de Kat ingelicht dat het voornemen bestond om de Algemeene Reglementen aan te vullen met bepalingen betreffende de dienstvoorwaarden en de dienst- en rusttijden.

Het motief, dat de heer de Kat hiervoor aanvoerde, was drieledig. In de eerste plaats werd onder vooropstelling, dat het spoor- en tramwegpersoneel inzake de arbeidsvoorwaarden in vrij goede conditie verkeerde, vastgesteld, dat de waarborg ontbrak, dat te eeniger tjjd daarin geen wijziging zou komen; in de tweede plaats zou de overheidsplicht het voorkomen van ernstige economische conflicten tusschen werkgevers en werknemers met zich mede brengen, ten derde diende mede voorkomen te worden, dat ongelukken het gevolg waren van overmatige lange diensten arbeidstijden. 9a)

Den 7den December 1914 volgde bij brief No. 14821 gelijke mededeeling aan de bestaande particuliere tramwegmaatschappijen, den 15den December 1914 bn' brief No. 152555 nadere inlichting aan de N. I. S. M.

Weldra bleek, dat de bewoordingen van deze brieven tot eenig misverstand aanleiding gegeven hadden, weshalve bn' missive van 7 Januari 1915 No. 7 geheim nadere toelichting aan alle particuliere ondernemingen volgde.

De eerste brieven gaven den Raad van Beheer der N. I. S. M. en de Directie der 4 Zustermaatschappijen aanleiding om een Nota bij den

9) Zie hierover het V. V. en de M. v. A. op de Indische Begrooting voor 1914 onderafd. 228 en de Handelingen 1913—1914, zitting van 28 Nov. 1913 alsmede Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht voor Nederlandsch-Indië (Amsterdam J. H. de Bussy 1918) bl. 473 t|m 481.

9a) Zie het (derde) Verslag betreffende het spoor- en tramwegwezen in N. I. over 1916 tot 1 Aug. 1917 bl. 10.

Sluiten