Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„keer noodzakelijk is en de afwijking niet door het nemen van andere maatregelen kan worden voorkomen.

„4) Van elke afwijking moet door of van wege bestuurders van den „betrokken spoorwegdienst binnen acht dagen mededeeling worden gedaan aan den Hoofdinspecteur der Spoor- en Tramwegdiensten.

5) De Directeur van Gouvernementsbedrijven is bevoegd om in behaalde gevallen ontheffing te verleenen van de door hem goedgekeurde „of door den Gouverneur:Generaal vastgestelde regelen betreffende de „dienst- en rusttijden".

Art. 4a van het A.R. III gaf een gelijksoortige regeling ten opzichte van het tramwegpersoneel.

Bij Indischen brief van 9 Sept. 1915 No. 931133 werd een en ander ter kennis van den Minister gebracht.

Boven werd reeds medegedeeld, dat de regeling van 1909 eigenlijk niemand bevredigde.

In het volgende zullen eenige meeningen ter zake vermelding vinden.

In de eerste plaats zij het woord gegeven aan den Hoofdambtenaar ter beschikking, vroeger Exploitatiechef der Oosterlijnen G. A. Fokker, die den 30sten November 1912 een nota indiende, welke hn' eenige jaren te voren opgesteld had en waarin o.m. het volgende voorkwam: „De tegenwoordige combinatie (d.i. die van Chef van den Dienst der Staatsspoorwegen en Hoofdinspecteur der Spoor- en Tramwegdiensten) is m.i. te „veroordeelen, omdat bn' verschil van meening tusschen de Chefs der „Exploitaties van de Staatspoor en die der particuliere lijnen de Hoofdinspecteur bezwaarlijk als geheel onverdacht scheidsrechter kan optreden.

„De onpartijdigheid zou men nog kunnen veronderstellen aanwezig „te zy'n, door aan te nemen dat niemand tot de betrekking van Hoofdinspecteur zal worden geroepen, die moreel niet hoog genoeg staat om „zich op een onpartijdig standpunt te plaatsen. Toch zal de verleiding „altijd blijven bestaan, om de belangen van den eigen dienst met welke „men als het ware oud is geworden, te stellen boven die van particuliere „lijnen, te meer daar met de eersten ook het belang van den Lande „rechtstreeks gemoeid is. De kans bestaat echter ook dat juist om den schijn „van partijdigheid in het voordeel der Staatsspoor te vermijden, de weegschaal onwillekeurig naar den anderen kant overslaat, en de belangen der „particuliere lijnen het zwaarste gewicht in de schaal werpen.

„Maar ook al weet de Hoofdinspecteur beide klippen te vermijden, de „schü'n van partijdigheid zal niet altijd te ontgaan, zn'n, omdat niet ieder „beoordeelaar en belanghebbende zelf hoog genoeg staat, om de billijkheid „van een besluit of advies dat in zü'n nadeel is, in te zien en te erkennen.

„Scheiding der beide betrekkingen is met het oog op het bovenstaande „aan te bevelen".

In de tweede plaats verdient gesignaleerd te worden wat de afgevaardigde Mr. C. Th. van Deventer in de zitting der Tweede Kamer van 28

Sluiten