Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„en kan het dit op redelijke voorwaarden doen, dan zal het my' tot medewerking bereid vinden. Maar zoolang wij zoover nog niet zyn, zoolang „een deel van het spoorwegverkeer aan particulieren is toevertrouwd, „meen ik, dat het verkeerde politiek is, die particulieren te beschouwen als „gevaarlijke mededingers van den Staat. Veeleer moeten zy' beschouwd „worden als medewerkers aan een gemeenschappelijke taak: het verzekeren van een zoo goed, zoo snel en zoo goedkoop mógelijk verkeer door „geheel Indië, in het bijzonder door geheel Java. Daarop zy dus het streden van de Hoofdinspectie gericht.

„Daarnevens kunnen dan de Staatsspoorwegen zich steeds meer ont„wikkelen tot een goed beheerd, zelfstandig bedry'f. En nu ik dit woord „weer noem, wil ik den Minister vragen, hoe het nu eigenlyk staat met „de plannen, waarover door den geachten afgevaardigde uit Winschoten 10a) by vorige gelegenheden reeds meermalen gesproken is, de plannen „tot het geven aan het staatsspoorwegenbedrijf van een zoodanigen vorm, „dat het inderdaad zelfstandigheid, ook in vermogensrechtelijken zin kan „erlangen. Het is bekend, dat de tegenwoordige directeur van de gouvernementsbedrijven zich in belangrijke mate met deze zaak heeft beziggehouden. In 1912 is hy' eenige maanden in Nederland geweest en heeft „toen ongetwijfeld over deze zaak ook met de Regeering van gedachten „gewisseld. Kan de Minister misschien nu reeds eenige mededeelingen „doen omtrent den stand, waarin de oplossing van dit belangry'ke vraagstuk verkeert, of kan by' ons althans toezeggen, dat ons spoedig mededeelingen daaromtrent zullen bereiken?

„My'nheer de Voorzitter. Omtrent de quaestie van de splitsing van de „diensten van den hoofdinspecteur en van den chef van de staatsspoorwegen vraag ik van den Minister thans geen beslissend antwoord. Ik versoek alleen, dat het hier ontwikkelde denkbeeld ernstig door den Minister zal worden overwogen en het onderwerp zal uitmaken van een niet „minder ernstig overleg tusschen Zy'ne Excellentie en de Indische Regee„ring".

Het antwoord op de vraag waarom de toestand niemand bevredigde vinden we ook weergegeven op bl. 26 en 27 van het rapport van den heer H. J. E. Wenckebach inzake de financiële zelfstandigheid van de S.S. 11) waarop in de Juni — aflevering van het Indisch Tijdschrift voor Spövf^ en Tramwegwezen, jaargang 1915 door den toenmaligen afdeelingschef der S.S. F. B. H. Asselbergs critiek zou worden uitgeoefend — waarover hieronder meer.

In het rapport-Wenckebach is ten aanzien dezer kwestie op bl. 26 het volgende vermeld.

10a) Dr. D. Bos.

11) H. J. E. Wenckebach. Advies aan den Minister van Koloniën over de wenschelijkheid het beheer van de Staatsspoor- en tramwegen in N.-I. over te dragen aan een daartoe in te stellen zelfstandig bedrijf (den Haag, Martinus Nijhoff 1914).

Sluiten