Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,3. Het Departement van Gouvernementsbedrijven vormt een onnoodigé „schakel tusschen het bedrijf der S. S. en de Regeering en geeft aanleiding tot onnoodigen administratieven arbeid; dat bezwaar zal zich „vooral doen gevoelen, als de afscheiding van het „toezicht" en de „door den heer Wenckebach gedachte administratieve verhoudingen „mochten worden ingevoerd;

„4. Het verdient aanbeveling de Staatsspoor- en tramwegen met de havenbedrijven; c.q. andere verkeersbedrijven (bijv. het transportwezen) te vereenigen onder één Departement;

„5. De enz:"

Pas na terugkomst in Indië van den heer van Stipriaan Luisciu3, doch vooral na het optreden van den heer M. H. Damme als Hoofdinspec-

„4. dat ter vergunning van de ondershands getroffen regeling waarover handelt „de hoogervermelde missive van den Directeur van Gouvernementsbedrijven, de „wjjdte en hoogteligging der bruggen en andere doorlaten in de Staatsspoor- en „tramwegiy'nen niet wordt vastgesteld door den Directeur van Gouvernementsbedrijven, dan na verkregen dezerzijdsche instemming".

De heer Wenckebach deelde dd. 3 Nov. 1911 (brief No. 10564) mede, dat hu' de stukken in handen gesteld had van den Hoofdinspecteur der S.S. en dat hy te gelegener tyd op de zaak nader zou terugkomen. Voor zoover nagegaan is kunnen worden, is dit niet geschied, hoewel den 16 December 1911 de heer van Stipriaan Luiscius zijn Nota met bezwaren tegen dit plan ingediend had. „Hcewel — zooals „uit het vorenstaande biykt — ik overgang van het Toezicht naar het Departe„ment der B.O.W. ten sterkste meen te moeten ontraden is daarmede niet gezegd, „dat ik de combinatie van Chef van den dienst der S.S. en Hoofdinspecteur van „het Toezicht wenscht te behouden" aldus de heer v. S. L.

In dezen stryd van denkbeelden is het niet onaardig te constateeren, dat een der voorgangers van den heer Homan van der Heide, de heer Melchior, in een brief (No. 152 geh. van 28 Juli 1908), welke hy gemeenschappelijk met den heer Wenckebach tot de Regeering richtte en welke handelde over den overgang der S.S. van B. O. W. naar G.B. om practische redenen zich voorstander verklaard had voor overgang van de z.g. „afdeeling spoor- en tramwegen", (omvattende: opname en aanleg der S.S., behandeling van concessieaanvragen, toezicht op de spoor- en tramwegdiensten, het stoomwezen en het bruggenbureau), gelqktydig met die van de eigeniyke exploitatie der S.S. De heer Wenckebach stond hier zeer aarzelend tegenover en .wilde het „toezicht" wel bij B. O. W. laten, „dat door z^n technisch — economisch karakter, daarvoor wel geschiktheid" bezat, doch sloot zich ten slotte aan by de meening van den hoofdinspecteur der S.S. van Stipriaan Luiscius, die toen nog onvoorwaardeiyk voorstander was van de combinatie S.S. en Toezicht. De houding van den heer van Stipriaan was te verklaren. De uitoefening van het Toezicht leidde onder hem niet tot conflicten. Integendeel; zoo schreef de Voorzitter van het Comité van Bestuur der N.I.S.M., de heer Th. W. L. Steinmetz dd. 19 Juni 1908 (No. 3746) o.m.:

„De welwillendheid en onpartijdigheid door U tegenover ons betoond, niet alleen „t.o. van de lijn Batavia—Buitenzorg, maar in alle vraagstukken, die zich hebben „voorgedaan, wordt met ingenomenheid erkend".

Later toen de scheiding een principekwestie werd, werd de heer van Stipriaan Luiscius van de scheiding een platonisch voorstander.

Sluiten