Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„behoort echter open te bleven om dié taak te verruimen — ook in dien „zin, dat de staatsspoor- en tramwegdienst geheel of gedeeltelijk aan het „dagelü'ksche Staatstoezicht worde onderworpen. Onder dit voorbehoud „heb ik mij vereenigd met de zienswijze van den Chef van den Staats„spoorwègdienst dat zoo al eenig toezicht, anders dan van mijzelven, noo„dig werd geoordeeld — in geen geval de toepassing van het door mij „voorgestane beginsel zich verder behoort uit te strekken dan de toeken„ning aan het hoofd van den nieuwen dienst van de bevoegdheid tot uitoefening van het zoogenaamd „„algemeen toezicht"" volgens door mij „te geven aanwijzingen en tot het uitbrengen van door mh' te vragen „speciale adviezen".

Voorgesteld werd om de particuliere spoor- en tramwegen op Java en daarbuiten onder te brengen in 3 hoofdinspectie- en 6 inspectieafdeelingen, waarvan vermoedelijk één voorloopig nog achterwege kon blijven. Een schema van verdeeling werd overgelegd.

De wnzigingen, welke in de Algemeene Reglementen, noodig geacht werden, kwamen daarop neer, dat art. 23 A.R. I en 21 A.R. II konden vervallen. Het nut er van was twijfelachtig, de overtredingen veelvuldig.

Bovendien was de vraag gerezen of het recht om verzoeken rechtsstreeks tot de Regeering te richten, met betrekking tot de spoor- en tramwegmaatschappijen wel mocht beperkt worden. In het A.R. III kwam een dergelijk voorschrift als in art. 23 A.R. II niet voor.

•De bepalingen betreffende het toezicht opgenomen in de ontwerphoofdstukken II, kwamen in hoofdzaak overeen met de in de Nederlandsche Spoorwegwet voorkomende bepalingen behoudens de noodzakelijke afwijkingen. De aandacht zij er op gevestigd dat de bepaling in art. 17 A.R. III verviel, dat het algemeen toezicht op de tramwegen mede was opgedragen aan de Hoofden van Gewestelijk Bestuur. Zulks werd bij het meer intensieve toezicht dat beoogd werd minder noodig geacht, terwn'1 voorkomen werd, dat de ambtenaren belast met het dagelijksch toezicht van tweeerlei chefs orders zouden ontvangen.

In het Algemeen Stadstramwegreglement werd art. 12 eenigzins anders geformuleerd.

Voor het jaar 1917 werden de noodige gelden op de begrooting gebracht. Overleg met den Ra.ad van Indië bracht met zich mede, dat de organisatie zoo krap mogelijk werd bemeten. Den 17den Oct. 1916 werd het Opperbestuur bij Indischen brief No. 992(41 ingelicht.

In afwachting van de aanname der begrooting van N. I. voor hei dienstjaar 1917, waarbjj de gelden zoowel voor de oprichting van hei „toezicht" als voor de door den heer Damme voorbereide reorganisatie van den dienst der Staatsspoor- en tramwegen zouden toegestaan worden, werden den 23sten Januari 1917 de noodige ontwerp-besluiten enz. aan de Indische Regeering aangeboden.

Sluiten