Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zendt geregeld aanvragen zoo om Nederlandsche boeken als om andere, die in Duitschland niet te vinden zijn, en er gaan daardoor betrekkelijk veel boeken over en weer.

Maar ook in het land zeli vindt het werk waardeering j de Levensverzekeringsmaatschappij „Utrecht", te Utrecht, gaf ons de vrijheid haar titels in den C. C. op te nemen, en verklaarde zich bereid boeken aan andere bibliotheken uit te leenen; het Colleg ium Berchmamanum te Nijmegen zendt geregeld haar geschreven titels bij pakken van + 100 stuks naar de K. B. waar zij overgetypt worden; zoodoende is ook deze prachtige bibliotheek van Jesuitica voor de wetenschap toegankelijk; al zal men er bij zulke particuliere bibliotheken rekening mede moeten houden, dat zij haar boeken, die in de allereerste plaats voor eigen gebruik bestemd zijn, niet op zoo ruime schaal kunnen uitleenen als onze rijksbibliotheken.

De Centrale Catalogus en haar werkwijze is een mooi monument voor de samenwerking onzer Nederlandsche bibliotheken, dat niet door dwang van boven, maar door den geest van saamgehoorigheid, en door de overtuiging dat onze bibliotheken de gemeenschap moeten dienen, wordt opgebouwd. Ik beschouw hem als een eerste schrede op dien weg: er is nog een ruim verschiet. Reeds nu hebben onze bibliotheken zich aangegord om gezamenlijk een Repertorium van Nederlandsche Taal . en Letteren saam te stellen, dat aanvankelijk de jaarlijks verschijnende literatuur in tijdschriften en dergelijke zal verwerken, maar dat ook terug zal werken, om zoo te komen tot een repertorium van Taal en Letteren, gelijk Petit en Mej. Ruys het voor de Geschiedenis geven. Ik wijs in dit verband ook op de catalogi voor de Klassieke Letteren en voor de Moderne Talen, die de Utrechtsche Univ. Bibl. uitgeeft; en hoeveel meer kan er nog niet op dit gebied gedaan worden!

Dan hoop ik dat binnen niet al te langen tijd ook een Inlichtingendienst zal kunnen worden opgericht; de plannen daarvoor zijn nog niet nauw omlijnd, maar de uitwerking ervan wordt alleen tegengehouden door de overweging, dat men niet alles op éénmaal moet aanvatten, en dat elke nieuwe last arbeidskrachten vraagt, en dus geld kost, al durf ik dit laatste bezwaar sedert Bussum nauwelijks meer noemen.

P. C. MOLHUYSEN.

Sluiten