Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Laurenburg op een steilen bergkegel in een zeer schilderachtig gedeelte van het waterrijke Lahndal, dat er echter toen niet zoo liefelijk zal hebben uitgezien als thans. Na een langen strijd met de bisschoppen van Worms over het eigendomsrecht op dezen berg en het daarop gebouwde kasteel namen de graven van Laurenburg in 1159 den burcht Nassau in leen van den aartsbisschop van Trier, welk leenverband, hoewel steeds losser, zes eeuwen lang in stand bleef. Deze burcht werd sedert de hoofdzetel van hun geslacht, dat zijn ouden naam spoedig met dien van den nieuwen burcht zeiven verwisselde en zich weldra grafelijke rechten en goederen verwierf in de naburige gouwen aan Rijn, Lahn en Taunus. De bezittingen en rechten van deze oudste graven van Nassau breidden zich allengs uit zoowel ten noorden als ten zuiden van de Lahn tot den Rijn, de Main en diep in het Westerwald, zoodat zij voor deze geheele streek in de i2de en 13de eeuw de machtigste dynasten werden, wier wapenteeken, de „Gouden Leeuw van Nassau", algemeen geacht en gevreesd werd.

Maar al die bezittingen en rechten bleven niet steeds in ééne hand: zij werden tusschen de mannelijke leden van het geslacht telkens weder verdeeld, totdat op het einde der 12de eeuw graaf Walram van Nassau zoo goed als alles weer in zijn bezit had. Hij en zijn zoon, graaf Heinrich II, als „de Rijke" bekend, waren woelige heeren, die met hunne naburen tal van twisten en veeten hadden uit te vechten en dit met lust en ijver deden. Nog vóór het midden der 13de eeuw werd door graaf Heinrich tijdens die twisten de op een bergplateau sterk gelegen Dillenburg aan het riviertje de Dill gesticht.

Heinrich's zoons, Walram en Otto, verdeelden den ióden December 1255 het vaderlijk bezit in twee deelen. Het noordelijk van de Lahn gelegen deel met Siegen, Herborn, Dillenburg enz. kwam aan Otto, stamvader der jongste, der Ottonische linie, het zuidelijk van die rivier gelegen gebied met Idstein, Weilburg, Sonnenberg, Wiesbaden enz. aan Walram, stamvader der oudste, der Walramsche linie. Uit de laatste kwam in de tweede helft der 13de eeuw de beroemde graaf Adolf voort, die zes jaren lang, van 1292 tot zijn heldendood op het slagveld van Göllheim in 1298, de Duitsche koningskroon heeft gedragen, ten slotte tegenover den in dat laatste jaar door de keurvorsten in zijn plaats gestelden hertog Albrecht van Oostenrijk uit het Zwabische geslacht Habsburg, dat toen in zijn opkomst was. Zijn nakomelingen, uit wie in de tweede

Sluiten