Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienstige vorming trad bij dat alles zeker niet op den voorgrond; aan het weinig kerkelijkgezinde Bourgondische hof zal zij zich wel beperkt hebben tot de nakoming der formeele plichten, die het leven van éen jong Bourgondisch edelman medebracht; wij hooren er niets van en kennen zelfs niet den datum zijner confirmatie, die echter ongetwijfeld moet hebben plaats gehad. Zijn latere geschiedenis geeft voortdurend blijk van zijn vroege rijpheid, zijn scherp verstand, zijn gevoelig gemoed, zijn groote algemeene ontwikkeling. De geringe overblijfselen zijner gedurende zijn veelbewogen en later zwervend leven niet met groote zorg behandelde bibliotheek — van zijn archief is iets meer bewaard gebleven — leveren niet genoeg gegevens om er eenige conclusies uit te trekken. Hij bezat in ieder geval voorshands de rijke bibliotheken zijner voorvaderen uit den tijd der Renaissance. Dat hij Froissard -gelezen had en Sleidanus' Commentarii kende, zal blijken; politieke en theologische literatuur bestudeerde hij later met ijver. Maar wat van zijn vroege jeugd af vooral niet minder dan zijn gaven de aandacht trok, was zijn meesleepende vriendelijkheid, zijn slag om met iedereen om te gaan. Pontus Payen vermeldt zijn wondervolle levendigheid en zijn ongemeene zelfbeheersching, zoodat ieder onbescheiden, toornig of aanmatigend woord hem vreemd was, ook tegenover zijn bedienden, die hij placht te „admonester gracieusement"; hij sprak gemakkelijk, zacht en aangenaam en met groote kracht van overtuiging; hij was zeer toegankelijk en had een bevallige wijze van optreden, van groeten en vriendelijk toespreken tegenover iedereen, wie het ook mocht zijn; zelfs als hij zweeg, was hij welsprekend: „tacendo paria, parlando incanta", zegt een tijdgenoot, hij „spreekt al zwijgend en betoovert al sprekend".

Te Brussel hield men een wakend oog op zijn betrekkingen met zijn Duitsche verwanten, die, naar men er vreesde, wel eens een minder gewenschten invloed op hem zouden kunnen krijgen. Vooral Antoine de Granvelle, de jonge, de bisschop van Atrecht, die de positie zijns overleden vaders, vooral in de buitenlandsche zaken der Bourgondische regeering had geërfd, waakte in het bijzonder daartegen, opdat de bekende kettersche' neigingen dier verwanten den jongman niet zouden afwenden van de oude Kerk en hij niet al te zeer in de Duitsche sfeer zou worden gebracht. De benoeming van Granvelle's broeder, Jéröme, heer van Champagney, tot 's Prinsen gouverneur naast den ouden

Sluiten