Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekeren, dat zijn zoon eerder geneigd zou zijn de gunst des Konings te zoeken dan die van den Keizer, die het meest op Spanjaarden gesteld was; reeds nu, zeide de graaf, had zijn zoon voortdurend «vos roys, vous et vostre nation en la bouche". En de jonge Prins zelf, „jeune seigneur trés agréable et de facon fort modeste", wierp zich aanstonds in de armen van Vieilleville, met wien hij door de Chalons in een soort van verwantschap was gekomen en dien hij daarom zijn eenigen „parent en France" noemde, ja dien hij voor zijn verder leven ten voorbeeld wenschte te nemen. Hij betuigde eveneens zijn sterke neiging tot Frankrijk maar wees er tevens op, dat het prinsdom Oranje, geheel door Fransch gebied omringd, slechts een deel zijner bezittingen uitmaakte; toch klaagde hij volgens onzen berichtgever reeds over de minder goede gezindheid van 's Keizers zoon en aangewezen opvolger, Philips, tegenover hem, waarvan hij de oorzaak niet kende, en gewaagde zelfs, zegt de auteur, van een horoscoop, die zijn dood door Philips' eigen hand of door een van wege dezen op touw gezette samenzwering zou hebben voorspeld. In tegenstelling met zijn vader zou hij, de jonge Prins, echter verklaard hebben den Keizer, die hem zooveel gunst had betoond en hem daardoor had „enchatené a. sa suite", zoo lang deze leefde nooit te zullen verlaten.

Jammer, dat van dit gansche verhaal geen woord, om zoo te zeggen, waar kan zijn: het is een goed geschreven en handig opgezette roman van een begaafd auteur. De opsteller dezer Mémoires, werkend in opdracht der nagelaten familie van den beroemden maarschalk, heeft blijkbaar iets geweten van de zeer geheime zending naar Frankrijk van Friedrich von Reichenberg in Mei 1551 en de nog geheimere van markgraaf Albrecht van Brandenburg-Culmbach in het najaar. Hij schreef zijn boek tijdens koning Hendrik III of IV, in ieder geval lang na den dood van den maarschalk, ten deele naar diens verhalen, ten deele naar kortere of langere aanteekeningen van dezen en vulde met vaardige hand uit zijn rijke fantasie aan, wat hem daaraan voor een spannend en interessant verhaal over zijn held scheen te ontbreken, natuurlijk ook onder den indruk van de latere houding van den toen beroemden prins Willem tegenover koning Philips.

Het verhaal is in dezen vorm vooral hierom zeker onwaar, omdat wij uit de ons vrij volledig bewaarde correspondentie van den Prins met zijn vader weten, dat beiden juist in dienzelfden tijd, op het eind

Sluiten