Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 1551, geheel aan de zijde des Keizers en volstrekt tegenover de ontevreden protestantsche vorsten stonden, zoodat zij onmogelijk aan een gezantschap van dezen aard deel hebben kunnen nemen. Reeds in Januari 1551 toch had de Keizer de aanspraken van graaf Wilhelm op het graafschap Katzenelnbogen ten volle erkend en hem ten koste van Hessen een groot deel daarvan toegewezen. Zoowel de graaf als zijn zoon, die herhaaldelijk zijn vader in den loop van dit jaar met geldsommen steunde in diens pogingen om definitief in het bezit der toegewezen bezittingen te geraken, stonden toen juist ten scherpste tegenover keurvorst Moritz van Saksen en de zijnen, onder wie Philips van Hessen de eerste plaats innam. Dit blijkt overtuigend uit de briefwisseling van het najaar zelf, waarin niet de geringste mogelijkheid wordt opengelaten voor het aannemen eener afwijkende houding; integendeel, graaf Wilhelm maakte zich aanhoudend ongerust over een aanval zijner Hessisch-Saksische tegenpartij op Dillenburg zelf, dat hij met hulp van zijn. zoon en koningin Maria versterkte. Wel is ten gevolge van 's Keizers onverwachte nederlaag in Tirol en het hem door keurvorst Moritz afgedwongen verdrag van Passau (29 Juli 1552) de zaak van Katzenelnbogen ten slotte toch door graaf Wilhelm ten eenenmale verloren en heeft deze zijn diepe ergernis daarover niet verborgen, maar van aansluiting bij eenig Duitsch vorst tegen den Keizer is ook dan niet de minste sprake noch bij graaf Wilhelm noch bij den jongen Oranje, die blijven bij klachten en protesten over het geleden onrecht en steeds nog aandringen en hopen op 's Keizers steun bij hunne aanspraken.

Toen de Duitsche protestantsche vorsten zich werkelijk met Frankrijk tegen den Keizer verbonden en Kamerijk, Metz, Toul en Verdun als prijs voor de Fransche hulp beloofden, bleef Oranje dan ook, zoo goed als zijn vader, den Keizer getrouw en zag dientengevolge zijn prinsdom en zijn andere Fransche bezittingen reeds 16 Dec. 1551 weder door Hendrik II confisceeren. Hij moest ze missen tot na den vrede van Cateau-Cambresis in 1559 en derfde dus al die jaren de inkomsten uit dit deel van zijn bezit, dat hij nooit met eigen oogen heeft kunnen aanschouwen.

Het jonge gezin, dat door koningin Maria, de landvoogdes, nog steeds met moederlijke zorg werd omringd gelijk ook Champagney

Sluiten