Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

abt van Tongerloo e. a. tegenwoordig waren, kostten schatten. Hij was een geducht eter en stevig drinker. Zijn hofhouding in het somptueuse Nassausche paleis telde volgens een tijdgenoot 24 edellieden en 18 pages. Op zekeren dag, zoo zeide zijn huisbewaarder, bezuinigde hij op-zijn keukendienst door het wegzenden van niet minder dan 28 koks; die keuken was voor de huishoudingen der Duitsche vorsten een soort van culinaire kweekschool. Zijn gastvrijheid was grenzenlöos; buitenlandsche gezanten, en edelen vonden bij hem een vorstelijk onthaal, vorstelijker dan aan het hof zelf. Wel mocht de Prins later zeggen, dat hij in dien tijd meer dacht aan wapenen, jacht en adellijke genoegens dan aan zijn geestelijk heil. Een zuinig leven was overigens iets, wat met 's Prinsen aard in het minst niet overeenkwam. In Januari 1564 •schrijft hij aan graaf Lodewijk: Je suis tousjours empesché pour faire mon estat et peus bien dire: sicut erat in principio et nunc et semper et in secula seculorum, et me samble que nous venohs de race de estre un peu movès mesnaigiers en nostre jeun temps, mais quant nous serons vieu, serommes meilleur comme feu Monsieur nostre père".

Zelfs Oranje's aanzienlijke inkomsten schenen tegen een dergelijke levenswijze nauwelijks bestand. Hij klaagt reeds in het voorjaar van 1552 over zijn zware schulden, die zoo hoog klommen, dat hij bij de Antwerpsche bankiers geen krediet meer had en niet aan geld kon komen: de Antwerpsche kooplieden, bij wie de adel steeds om geld trachtte aan te kloppen, kenden ook zijn financieelen toestand zeer goed. Zijn schuld was in 1555 gestegen tot 800000 francs zooals hij aan de toen vertrekkende landvoogdes Maria zou gezegd hebben.

Toch zou men zich vergissen, als men meende, dat die schulden bij beter beheer zijne krachten ten eenenmale te boven zouden gegaan zijn. Men berekent, dat zijn vermogen op ongeveer 4 mill. gulden mocht gesteld worden met een jaarlijksche opbrengst van ongeveer 200000 gulden, waartegenover volgens de mededeelingen van Granvelle, die van zijn broeder, 's Prinsen voormaligen gouverneur, goede inlichtingen kon krijgen, omstreeks 1560 een schuldenlast van 900000 gulden stond bij een jaarlijksche uitgave van 90000 voor zijn huishouding. Maar het beheer van deze voor dien tijd ontzaggelijke sommen liet veel te wenschen over en het behoeft geen verwondering te baren, dat de Prins zich dikwijls in geldverlegenheid bevond, waaruit hij zich niet dan met moeite wist te redden tegenover de aanspraken zijner op de

Sluiten