Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des Keizers had hem 17 Nov. 1555 opgenomen in den „Conseil d'Estat de par decha", welke benoeming de Prins had aanvaard met de betuiging bereid te zijn den vorst „faire tout humble service". Zoo zien wij den Prins dan ook in het volgende jaar herhaaldelijk door Philips — van wiens tegenzin tegen den jongen edelman wij nog geen spoor vinden — gebruikt in staatszaken: bij de vergadering der Staten-Generaal in het voorjaar, bij het vragen der bede in Brabant, bij het vernieuwen van de regeering te 's Hertogenbosch. Zijn militaire diensten worden niet meer in de eerste plaats gevraagd, al nam hij in 1556 deel aan de voorbereiding van een nieuwen veldtocht in Picardië, waarvoor door zijn bemiddeling onderhandelingen werden gevoerd met den Duitschen kolonel George von Holl, die in 's Konings dienst zou treden. Toch vinden wij hem in Augustus 1557 weder voor St. Quentin, waar Savoye onder's Prinsen krachtige medewerking — hij zou zelfs „la charge et principale conduite" gehad hebben — toen juist zijn schitterende overwinning op de Franschen behaalde, en later bij Ham. De bij St. Quentin gevangen Fransche maarschalk St. André en de rijngraaf van Solms, eveneens daar gevangen genomen, werden beiden op zijn kasteel Breda vastgehouden voor den tijd van den oorlog of totdat zij uitgewisseld zouden zijn. Aan den laatsten veldtocht, dien van 1558, waarin Egmond de schoone zegepraal op het strand van Grevelingen behaalde, nam de Prins in Picardië deel.

Hij was er spoedig diep gemengd in de onderhandelingen, die leidden tot den vrede van Cateau Cambrésis — het einde van den langen krijg, die zooveel fmancieele en economische ellende in de Nederlanden had teweeg gebracht, die de koninklijke schatkist ten eenenmale had uitgeput en de gewestelijke en stedelijke financiën had ontredderd, terwijl de grensprovinciën door het krijgsvolk van beide kanten waren uitgeplunderd, handel en nijverheid ernstig waren aangetast en hongersnood herhaaldelijk de bevolking had geteisterd, zoodat de vrede inderdaad een weldaad, zoo niet een noodzakelijkheid voor de Nederlanden mocht heeten. De Prins had in de onderhandelingen zijn bijzondere geschiktheid kunnen toonen en ontwikkelen voor den staatsdienst, waarin hij thans was opgenomen.

Sluiten