Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die wij sedert 1550 uit menigen tusschen hen gewisselden brief kennen, werd tot omstreeks 1560, voorzoover wij weten, door zoo goed als geen wanklank verstoord. Wij bezitten uit 1554 en 1557 twee „militaire" testamenten van den Prins, het eerste vóór Thé-

rouanne, het tweede vóór

St. Quentin eigenhandig opgemaakt, waarin Granvelle als mede-executeur wordt aangewezen, in het laatste o. a. met Viglius. In dat van 22 Juni 1558, kort na den dood zijner gemalin voor notarissen te Namen opgemaakt, zijn beiden echter verdwenen: hertog Willem van Kleef, Egmond, Hoorne en Herman van Nieuwenaar zijn dan de executeurs. Blijkbaar is de verhouding reeds toen niet zoo goed meer geweest, al komt dat eerst later duidelijk aan den dag. Een brief van 30 Sept. 1556, waarin Oranje den bisschop bedankt voor hem verleende hulp, spreekt dankbaar van de „affection vers moy. laquelle m'avés mounstré jusques a. maintenant" en werd door nog vele in

denzelfden toon gevolgd gelijk Granvelle nog tot in 1560 den Prins in vele brieven aan den Koning herhaaldelijk prijst wegens zijn goede diensten. Bij de vredesonderhandeling met Frankrijk op het eind van 1555 beveelt Oranje met den meèsten aandrang en in hoogst vriendschappelijke termen de behartiging zijner persoonlijke belangen in Frankrijk bij den bisschop

De Prins van Oranje als Vliesridder.

Naar een anoniem schilderij in het Museum te Breslau.

Sluiten