Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prins tot zijn naaste familie bleven dus van zeer intiemen aard, wat niet naliet de opmerkzaamheid der katholieke regeering te Brussel-, in belangrijke mate tot zich te trekken: daarvoor juist had men altijd eenige vrees gekoesterd, daartegen had men aanvankelijk maatregelen willen nemen. Maar de stem des bloeds heeft bij den Prins steeds krachtig geklonken en hij heeft zich aan de geopperde bezwaren weinig gestoord.

De verhouding tusschen de Nassausche broeders, zusters en zwagers was steeds voortreffelijk, ook na den dood des vaders (6 Oct. 1559), waardoor Oranje het erkende hoofd der gansche Dillenburgsche familie werd. Allen wedijverden in eerbied en liefde voor gravin Juliana, die haren echtgenoot nog lange jaren overleefde op het stamslot te Dillenburg, waar thans graaf Johan volgens de familie-overeenkomst als burchtheer gebood.

Al deze familiebetrekkingen en de oude betrekkingen der Nassau's met tal van Duitsche vorstenfamilies, met Hessen, Saksen, de Paltz en de talrijke gravengeslachten aan den Midden-Rijn, in het bijzonder dus mejt protestantsche vorsten, maakten den Prins van Oranje tot den aangewezen tusschenpersoon bij onderhandelingen van allerlei aard tusschen de Bourgondische regeéring en de Duitsche vorsten. Wij vinden hem dan ook in deze jaren herhaaldelijk door die regeering met zulke onderhandelingen Delast. Zoo in het voorjaar van 1557 met het aanzoek van Philips II bij de geestelijke keurvorsten aan den Rijn — Keulen, Trier en Mainz — om zich met hem tegen Fratfkrijk te verbinden, nadat de wapenstilstand van Vaucelles weder in oorlog was omgeslagen. Roomsch-Koning FerSihand had hem toen naar Eger in Bohemen willen doen komen om er de daar bijeengeroepen keurvorsten te helpen bewegen Ferdinand de keizerskroon op te- dragen, welke samenkomst evenwel ten slotte niet plaats had. Oranje, reeds op weg maar door een zwaren koortsaanval overvallen op het kasteel van den graaf van Hoorne te Weert, had daar eenig oponthoud, maar slaagde al dadelijk niet bij den keurvorst van Keulen, die, evenals zijn medevorsten, aarzelde zich nauw met het altijd van plannen op bemachtiging van de Rijnstreken verdachte Bourgondië te verbinden. Kort daarna ging hij naar Frankfort om er de Zaak van Katzenelnbogen te helpen beslechten, van waar hij spoedig terugkeerde om aan den veldtocht in Picardië deel te nemen.

Sluiten