Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het voorjaar van 1558 moest hij weder naar Frankfort reizen om er namens keizer Karei, die feitelijk reeds in Aug. 1556 de keizerswaardigheid had nedergelegd, de rijksinsigniën over te geven aan roomsch-koning Ferdinand bij gelegenheid van diens verheffing tot keizer door de daar thans verzamelde keurvorsten. De afgetreden Keizer had de Duitsche rijksinsigniën nog lang onder zich gehouden, omdat het nog niet volstrekt vaststond, dat Philips zelf niet in aanmerking zou komen voor het roomsch-koningschap als toekomstig opvolger van Ferdinand; deze wenschte evenwel de toekomst van zijn eigen zoon Maximiliaan niet op te offeren aan de mogelijkheid eener herleving van de Spaansch-Habsburgsche wereldmonarchie van Karei V, waartoe ook de Duitsche vorsten weinig gezind bleken. Thans was dit vraagstuk feitelijk beslist in den zin van definitieve scheiding van het Habsburgsche huis in een Spaansch- en een Duitsch-Habsburgschen tak. En de zending van Oranje met de rijksinsigniën was het teeken van Karel's onderwerping aan deze noodzakelijkheid. Ook toen moest hij behalve deze eervolle opdracht, waarvan hij zich half Maart kon kwijten, op last der regeering trachten naar een met keizerlijke toestemming te sluiten verbond tegen Frankrijk tusschen Bourgondië en de Westduitsche vorsten. Dit leidde echter ook ditmaal tot niet meer dan tot algemeene verzekeringen van goede gezindheid tegenover de ook door Frankrijk gedane aanzoeken. Ook bij deze gelegenheid zal er in zijne tegenwoordigheid wel gesproken zijn over de godsdienstige verhoudingen in Duitschland, waarvoor Oranje intusschen nog slechts matige belangstelling scheen te koesteren. Hij ergerde zelfs, zegt een bericht, den streng Lutherschen keurvorst August van Saksen en anderen door zijn loszinnige opmerkingen over het huwelijk en de wenschelijkheid om het concubinaat te hulp te roepen bij gemis aan wettelijke nakomelingen: opmerkingen, die aan het Brusselsche hof meer op hare plaats waren dan in een omgeving als déze en zeker niet getuigen van zeer ernstige moreele en godsdienstige opvattingen; de Prins heeft nog in zijn Apologie, 25 jaren later, dan ook ronduit erkend, dat hij zich in zijn jongen tijd om religie weinig bekommerd had.

De Prins was nog te Frankfort, toen hij 11 Maart 1558 een vóór 13 dagen door zijne te Breda achtergebleven gemalin zelve geschreven brief ontving omtrent een ongesteldheid, die haar had overvallen. Die

Sluiten