Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anders heeft kunnen leeren verstaan. Hij was in vele opzichten diens tegenvoeter. Het katholieke geloof was hem dierbaar boven alles en werd door hem met dweepzieke overtuiging en diepe devotie vereerd. Hij achtte zich door God zelf geroepen om zijn door de Protestanten van allerlei richting bedreigde Kerk te redden van den ondergang en de heillooze ketterij te verdelgen met al hare openlijke of heimelijke aanhangers. Geen middel was hem te goed of te slecht, geen inspanning van al de krachten zijns wereldrijks te veel, geen zelfopoffering, geen offer van menschen en geld te groot, geen hardheid of wreedheid te erg om dat grootsche doel te bereiken, de hem door God opgelegde taak te volvoeren. Hij achtte die taak een gewijde taak, waaraan hij zijn eigen gansche leven en al de tot zijn beschikking gestelde krachten had te besteden ; God zou hem na zijn dood rekenschap vragen van wat hij ten dezen had gedaan en nagelaten, met wat hij had gedaan en nagelaten als de gezalfde koning en heer zijner rijken. Ook zijn staatkundige daden en dynastieke overwegingen moesten ondergeschikt blijven aan de belangen van God's Kerk.

Er is in die godsdienstig-staatkundige conceptie iets onmiskenbaar grootsch maar tevens in de onverbiddelijke toepassing harer beginselen iets schrikwekkends, iets onmenschelijks. Er is in de bij Philips daarmede vermengde denkbeelden der macchiavellistische staatkunde van den tijd, in den meest ongunstigen zin van het woord, veel wat ons / n, tegen de borst stuit. Et er is vooral iets treffends in de tegenstelling

tusschen die grootsche denkbeelden en de kleinheid van den man, die ze koestert, de engheid van zijn gemoed en zijn verstand, de beperktheid van zijn geestelijken horizon, de kleinheid der middelen, die hij gebruikt, de voortdurende wisseling in zijn plannen.

Als koning Philips, na zich in alle bochten te hebben gewrongen, na afwisselende proefnemingen van allerlei aard, eindelijk inziet, dat de gevolgde weg hem niet zal brengen tot het vurig begeerde doel, trekt hij zich somber en meer dan ooit verbitterd terug in zijn Escuriaal, het kloosterpaleis, dat hij zich had gesticht, hij, tot in onze dagen de verpersoonlijking gebleven van den dweepzieken tiran, den somberen geweldenaar, die, onwrikbaar vasthoudend aan wat hij zijn roeping achtte, het ongeluk is geworden van zijn rijk en zijn volkeren. Daartegenover staat prins Willem, zooals hij in zijn volle ontwikkeling geworden is, tot in onzen tijd als de vertegenwoordiger van de hoogste

Sluiten