Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Landgraaf Philips liet zich niet vangen. Hij vond de liefdesbetuigingen zijner zestienjarige kleindochter „nur Kinderwerk* en den Prins ontwijfelbaar «katholiek* gelijk deze zijne vrouw ook geen vrije godsdienstoefening kon toestaan maar „katholiek leven" van haar verlangde. De landgraaf weigerde dus en wilde Knüttel zelfs niet meer ontvangen.

Dit bericht kreeg de Prins op Nieuwjaarsdag 1561 te Sondershausen, waar hij heel wat plezier had gemaakt en volgens Duitsche gewoonte zwaar gedronken, zegt hij, op de gezondheid van den keurvorst. Deze liet hem thans weten, dat hij, de keurvorst, de zaak zou doorzetten, nadat hij op den afgesproken protestantendag te Naumburg nog eens met den landgraaf zou hebben gepraat: deze was immers, volgens de letter der afspraak, van het plan „verwittigd" en tot meer achtte zich de slimme keurvorst niet verplicht. Op 3 Januari ging Oranje dus welgemoed op reis naar huis, bij verschillende vrienden, o. a. Georg von Holl, onderweg weder lustig feestvierend. Aan de regeering te Brussel berichtte hij, dat de keurvorst bereid was om zijne belofte ten opzichte van Anna's houding na te komen en dat hijzelf bij de oude religie zou „leven en sterven". Granvelle, die nog hoopte, dat de landgraaf ten slotte een spaak in het wiel zou steken, ried den Koning nu ook om verder van zijn kant geen bezwaren meer te maken; van den eisch tot overgang dér jonge vorstin werd in hunne correspondentie nu niet meer gerept, alleen van eene nog misschien te hopen verklaring van haarzelve omtrent haar „katholiek leven". De Koning heeft geen antwoord meer gezonden, zoodat van deze zijde geen verzet meer gemaakt werd.

Juist in dezen tijd bewees de Koning den Prins opnieuw zijn gunstige gezindheid door hem (1 Pebr. 1561) te maken tot „grand veneur", grootjager meester, van zijn stadhouderschap Holland, een eerbewijs, dat den Prins buitengewoon aangenaam moet geweest zijn, daar hij een hartstochtelijk jager was: in zijn brieven, gewisseld met zijn broeder Ludwig, die eveneens zeer gesteld was op dit ridderlijk vermaak, wordt tallooze malen met geestdrift gesproken van een vroolijk „hallali", van de jacht in de velden en bosschen van Brabant, in de duinen en weiden van Holland en 's Prinsen jagermeester en jachthonden namen een belangrijke plaajs in bij zijn huishouding. Staatkundig belangrijker was zijn van hooge gunst getuigende benoeming tot 's Konings stadhouder ook in Franche Comté (22 Febr. 1561), waar Oranje zelf aan-

Sluiten