Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien hij met de wraak Gods bedreigde. Anna antwoordde kalm, dat zij zich aan haar eenmaal den Prins gegeven woord hield; de keurvorst schreef den „hitzigen Herrn", dat hij niet verder met hem zou redetwisten.

Graaf Ludwig, die zich te Siegen ophield, werd nu door Oranje belast met de voorbereiding der huwelijksplechtigheid, die met vorstelijke pracht moest plaats hebben te Leipzig en op den afgesproken tijd. Ludwig begaf zich daartoe in April naar Dresden, ook om nieuwe bezwaren van Saksische ofwel Hessische zijde te ondervangen, met name betreffende de verlangde onderteekening der nota, waaraan de Prins in ieder geval wilde ontkomen.

Terwijl dit alles werd besproken, vond de Prins er geen bezwaar in de Protestanten — wel is waar waren het „slechts" Calvinisten — en zijn prinsdom, waar hij in overleg met en met toestemming van Granvelle een algemeen „pardon" had uitgeschreven en die er niettegenstaande zijn verbod van'alle protestantsche prediking „journellement" in beteekenis toenamen en bij nacht en bij dag lieten prediken, scherp te vervolgen in het belang van „nostre vraye et anchienne reiigion", „nostre saincte et anchienne reiigion", zooals hij aan Granvelle schreef.

Het moeilijke geval van de onderteekening der nota, die door graaf Ludwig zoowel als door Günther van Schwarzburg „seltsam, weitlaufig und spitzfindig" geacht werd, zoodat zij den Prins ernstig waarschuwden, gaf aanleiding tot de laatste bezwaren, want de Prins vreesde zich inderdaad te zeer te binden en vooral, dat het stuk eenmaal bekend zou worden en tegen hem gebruikt. Hij weigerde dus pertinent de onderteekening, maar het is niet onwaarschijnlijk, dat hij reeds toen mondeling beloofd heeft zoo te zullen handelen en deze belofte nog vóór de trouwplechtigheid te zullen herhalen.

Oranje zond in Mei zijn raad, den katholieken Heinrich von Wiltperg, met Knüttel naar Torgau, waar 2 Juni het huwelijkscontract geteekend werd. De huwelijksgift van Anna bedroeg 100000 thaler; 's Prinsen „morgengift" aan haar 10000; haar weduwgoed zou bestaan in de pas verkregen bezittingen Vianden, St. Veit, Warneton en Grave met Kuik, met een jaarlijksch inkomen van 12000 thaler. Hare kinderen zouden markgraven heeten en de genoemde bezittingen erven. Ook de landgraaf legde zich thans hoofdschuddend bij de zaak neder, maar verklaarde, voor zich en zijn zoons, niet op de bruiloft te zullen komen.

Sluiten