Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zware Heilige Schrift den luchtigen roman Amadis de Gauwele en dergelijke boeken „de amore" moest lezen en de gaillarde moest leeren dansen op de hier te lande gebruikelijke wijze, in plaats van naaien en breien zooals de Duitsche vorstinnen deden — een uiting, die geheel overeenstemt met de lichtvaardige wijze, waarop Oranje toenmaals in vertrouwelijken kring over den godsdienst placht te spreken, en met den aard zijner officieele betuigingen naar beide kanten, die wij hebben leeren kennen./De godsdienstige indrukken zijner jeugd te Dillenburg mochten, zooals hij al in 1566 beweerde en later in zijn Apologie met nadruk verklaarde, niet geheel verdwenen zijn, die zijner oppervlakkige katholieke opvoeding aan het Brusselsche hof hadden hem blijkbaar niet in de ziel gegrepen: de godsdienst bestond toen voor hem slechts in het volgen van zekere kerkelijke vormen, die hij zonder eenig bezwaar van zijn kant te Brussel en Breda in katholieken, te Dresden en Leipzig in protestantschen geest medemaakte. Van dieper godsdienstig gevóél is bij hem nog geen sprake.

Maar er is bij de beoordeeling van 's Prinsen houding en gevoelens in dezen tijd nog iets anders in het oog te vatten, n.1. de in dien tijd nog veelszins heerschende onzekerheid ten opzichte van de vraag, hoe de godsdienstkwestie in Wést-, Noord- en Midden-Europa definitief zou kunnen worden opgelost.

Er waren natuurlijk tal van onverzoenlijken, zoowel aan de eene als aan de andere zijde, die van een vergelijk omtrent den godsdienst niet wilden hooren: aan den eenen kant zij, die het Catholicisme ongerept gehandhaafd wilden zien, aan den anderen kant, zij, die het verafschuwden. Maar de groote, de overgroote meerderheid was niet zoo fel gestemd. Er waren talloos velen, die van het nog werkzame concilie van Trente, bijeengeroepen om de Christenheid zoo mogelijk in één Kerk bijeen te houden, een verzoening der gemoederen hoopten; er waren er in niet geringer getal, die te midden van al deze reeds langjarige twisten een aanmerkelijke mate van onverschilligheid toonden en zich van alle kerkelijke vormen weinig aantrokken. Bij deze gesteldheid der geesten van de groote meerderheid is een houding als die van Oranje in deze dagen verklaarbaar. Maar nogmaals: de jongman van 1560 dacht over dergelijke vraagstukken blijkens zijn uitingen naar beide kanten nog niet diep na. Zijn eigen gemoedsgesteldheid, afkeerig van alle uitersten, maakte het hem gemakkelijk om zich tusschen de

Sluiten