Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillende godsdienstige gezindheden te bewegen, naar de omstandigheden en de omgeving, nu weer als katholiek, dan weder als heimelijk protestantsch gezind maar verre van innige gehechtheid aan den eenen of den anderen godsdienstvorm.

En hoe is het in de praktijk met Anna's geloof gegaan? In de eerstvolgende jaren en ook in verband met 's Prinsen staatkundige moeilijkheden, dié hem herhaaldelijk aanleiding gaven Brussel te verlaten én zijn verblijf te Breda te kiezen, was het gezin meestal daar gevestigd; gewoonlijk in het gezelschap van protestantsche familieléden, die „er steeds over den vloer waren", zegt Granvelle in Mei 1562. Van onderwijs der jonge vrouw in het katholieke geloof kwam niet veel, al bleef de Prins zelf steeds zijn aanhankelijkheid aan het oude geloof betuigen en gaf zijn eigen houding geen dadelijke aanleiding tot verdenking. Toen de bezorgde grootvader, de oude landgraaf van Hessen, in Januari 1562 ernstig bij de Prinses informeerde, of zij wel bleef „bey der reiigion, darinnen E. L. ufferzogen ist", antwoordde zij ontwijkend, dat zij zich daarin zoo zou gedragen, „das ichs mit götlicher hülfe gegen den Almechtigen und die welt zu vertheidigen gèdenke". Met andere woorden, zij gedroeg zich als de Prins, dat is, zij „leefde katholiek* en — wat meer zegt — aan de „nota" werd de hand niet gehouden. Als in Nov. 1562 Anna te Brussel bevalt van een bijna dadelijk gestorven kind, werd dit ontwijfelbaar, zij het dan wegens „faiblesse et apparence de mort*, in haast in tegenwoordigheid van de katholieke vrouw van den tresorier Schetz gedoopt, terwijl de katholieke pastoor van St. Goedele daarbij de vereischte ceremoniën van den katholieken ritus vervulde; ook de Prinses, die zelve in doodsgevaar verkeerde, werd toen naar katholieken ritus bediend.

Men mag dus aannemen, dat de Prinses te Brussel in het paleis der Nassau's inderdaad „katholiek leefde", wat ook wel niet anders ging na 's Prinsen beloften aan Philips. En ook te Breda, waar evenals te Brussel een katholiek geestelijke de kapel bediende, wijst alles op een dergelijk „katholiek leven", al zal er, te midden van een dikwijls protestantsche omgeving, van eenigszins nauwkeurige naleving der katholieke leer en gebruiken niet veel gekomen zijn. Dat het de moeder „hard gevallen" zou zijn, naar beweerd wordt, toen haar dochtertje Anna (geb. 5 Nov. 1563) door een katholieken priester gedoopt moest worden, blijkt uit niets. Maar omtrent den priester, die

Sluiten