Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wolfang, kwam in Februari 1564 niet veel verder, evenmin als zijn nieuwe gouverneur, de Gelderschman Pieter van Varick, heer van Grypestein, die kort daarna optrad en zich weldra in het half verwoeste kasteel vestigde, daar de stad onbewoonbaar geworden was. Eerst de persoonlijke tusschenkomst van koning Karei LX van Frankrijk, die naar Provence was gekomen, herstelde er in October 1564 eenigszins de orde met handhaving in het algemeen van 's Prinsen edict van verdraagzaamheid. Toch duurde het nog tot in Augustus 1565, eerde Katholieken er de mis weder konden hooren, en tot in December 1566, eer de bisschop er terug kon keeren.

Tot dien tijd toe was de Prins er steeds als katholiek vorst opgetreden maar tevens met een gematigdheid tegenover zijn hugenootsche onderdanen, die niet naliet in streng-katholieke kringen verdenking te wekken, ondanks 's Prinsen brief aan paus Pius IV van 6 Nov. 1561, waarin hij de „haeretica pestis" der calvinistische secte verklaarde te verafschuwen en de leer „nostrae Orthodoxae et Catholicae religionis" te willen beschermen, zich weder beroepend op „fides mea Catholica, quam unice observavi et colui semper". Een strenge brief van denzelfden Paus uit December 1563 toonde, dat deze 's Prinsen verzoenende houding tegenover de rumoerige Hugenoten niet billijkte, integendeel hunne verdrijving, zoo niet hunne verdelging van hem eischte. Maar daartoe was de Prins niet gezind, ook wegens zijne betrekkingen tot de hoofden der Hugenoten in Frankrijk, die in dezen tijd reeds vrij krachtig waren.

In ieder geval, 's Prinsen gezag in zijn afgelegen prinsdom werd aanhoudend ernstig geschokt en de moeilijkheden namen er telkens weder zulk een vorm aan, dat het bezit van dit gebied voor hem eerder een last dan een voordeel beteekende. Toch dacht de Prins er niet aan zich ervan te ontdoen, ook wegens zijn betrekkingen met de hugenootsche leiders, die voor hem in zijn opkomenden strijd met de eigen landsregeering van groote beteekenis waren. Zijn titel alleen reeds van Prins van Oranje heeft hem ten minste later belangrijke diensten kunnen bewijzen. Zijn werkzaamheid bleef in hoofdzaak tot de Nederlanden bepaald: daar was zijn tweede vaderland, daar zou zijn levenslot bezegeld worden. Maar niet in katholieken zin.

Sluiten