Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vijandschap en vermeden allen omgang met hem. Hij van zijn kant, zijn aanvankelijk gematigde adviezen tegenover deze vijandelijke houding verloochenend, was reeds sedert het voorjaar van 1562 in zijn correspondentie met den Koning druk bezig dezen tegen de heeren, vooral tegen Oranje en Egmond, in te nemen; den eerste noemt hij nu een Catilina, den tweede beschuldigt hij roomsch-koning Maximiliaan in de plaats van Philips tot landsheer te begeeren, Montigny en Bergen van geheime neiging tot ketterij, waarvan Oranje natuurlijk ook niet volkomen vrij ■ geacht werd. Den omgang met de Grooten had hij niet noodig, zeide hij; hij werd genoeg door anderen opgezocht.

Granvelle was dus niet van plan het veld te ruimen. In zijn brieven aan den Koning verklaarde hij, dat het zijn plicht was te blijven en dat hij tegenover God en den Koning dien plicht zou vervullen, ja zelfs zijn leven daarvoor wilde wagen; dat hij christelijkerwijze zijn vijanden echter op alle manieren te gemoet wilde komen, tenzij de Koning zelf hem wilde terugroepen van zijn post. De Koning antwoordde, dat hij den- kardinaal geheel vertrouwde en hem in de Nederlanden wilde handhaven. Granvelle bleef nu op zijn beurt, over eenkomstig zijn aanbod van tegemoetkoming, in het begin van 1563 uit den Raad van Financiën en de Consulta weg, ja bood wederom zijn ontslag aan tot grooten schrik der landvoogdes, die hem toen nog onmisbaar achtte; den brief der drie heeren behandelde hij met geringschatting en spot, daar zij toch in den Raad al niets hadden beteekend en voortdurend onder elkander twistten. Toch waarschuwde hij den Koning herhaaldelijk de Spanjaarden niet al te veel voor te trekken en wees hem erop, hoe goed het zou zijn om de Nederlandsche heeren in Spanje en Italië in hooge ambten te plaatsen, b.v. Oranje onderkoning van Sicilië te maken. Men zou hen op deze wijze uit de Nederlanden kunnen verwijderen. Wat Egmond betreft, „vriend van rook", deze, die door Oranje werd aangezet, zou zeker te winnen zijn, als men hem vleide en hem ernstig de gevolgen van zijn optreden voorhield. Hij zeide verder zijn ouden vijand Renard te houden voor den raadgever der drie heeren.

Dit vertoog maakte'indruk op Philips, die (6 Juni 1563) zijn „coushis" in een vriendelijk schrijven antwoordde, dat hij zelf spoedig zou overkomen maar in afwachting daarvan gaarne „quelcung de vous trois" bij zich zag „pour me donner compte et raison particuliere de eest affaire",

Sluiten