Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vergadering verliep zeer eenvoudig: de landvoogdes vroeg de bede, hield een toespraak tot de leden en zond ze daarna naar huis om hunne Staten te raadplegen. Die van Brabant, door Bergen gesteund, terwijl Oranje oogenschijnlijk zijn best deed om de vertegenwoordigers van de Brusselsche burgerij tot toestemming over te halen/ bleven bezwaren maken, ook nadat alle andere gewesten hadden toegestemd, mits Brabant ook toestemde. De Grooten wilden blijkbaar uit de situatie halen wat zij konden en niet te gauw in de bede toegestemd zien. .

Nog bleef 's Konings antwoord uit. De onrust onder de Grooten nam toe, toen zij hoorden, dat hertog Erich van Brunswijk, de Luthersche condottiere, heimelijk in zijn stad Woerden, zelfs te Antwerpen verschenen was en met Granvelle had overlegd. En Egmond toonde zich gekrenkt, nu de Koning heimelijk zijn aanbod scheen, te versmaden. Hij verklaarde thans luide, dat hij en zijn vrienden, zoo door den Koning behandeld, zich geheel uit den staatsdienst dachten terug te trekken. En de landvoogdes werd even ongeduldig; zij smeekte den Koning om antwoord; zij prees aan de andere zijde de Grooten openlijk en trachtte hen zooveel mogelijk tot bedaren te brengen. Dezen zelf begonnen aan te dringen op 's Konings herhaaldelijk beloofde overkomst; Oranje schreef een voor den Koning bestemden brief in dien geest aan zijn ouden krijgsmakker Lazarus von Schwendi, die den brief aan den vorst doorzond en er van zijn kant nog een ernstige waarschuwing tegen Granvelle bijvoegde; graaf Ludwig, die toen in West-Duitschland reisde, werd voortdurend door zijn broeder op de hoogte der zaken gehouden.

Nog steeds stelde de Koning uit. De gisting werd dagelijks grooter. Men sprak van oproerige bewegingen overal, van belastingweigering, van aanslagen op het leven van den kardinaal, die in te Brussel en Antwerpen aangeplakte paskwillen, waarvan hij Renard verdacht, werd gehoond en bedreigd. De Grooten hadden op een feest bij den tresorier Schetz een uniforme kleeding voor hun bedienden aangenomen: een donker kleed met wijde mouwen, versierd met karikaturen' en narrenkappen. Zij zeiden aan de landvoogdes, die er aanmerking op maakte, dat zij slechts vereenvoudiging van de al te weelderige kleeding der hunnen op het oog hadden, maar men geloofde algemeen, dat de narrenkappen den kardinaalshoed nabootsten en dat de karikaturen Aerschot, Berlaymont en Viglius moesten voorstellen. In het voorjaar van 1564

Sluiten