Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lende mondelinge boodschap, hem door Armenteros overgebracht, en te hopen op een naderen brief, waarin de Koning hem afdoende zou verklaren niet tegen hem ingenomen te zijn door de „gens faulx et malicieulx", wier „faulses et sinistres machinations" en „calumnies et délacions faulses", zijn trouw in verdenking hadden gebracht. De Koning antwoordde inderdaad omgaande met twee uiterst vriendelijke brieven, waarin hij, geheel overeenkomstig Alva's listigen raad om zijn tijd af te wachten, den Prins geruststelde omtrent zijn werkelijke gevoelens jegens dezen en zijn beide vrienden; hij verklaarde zelfs — mirabile dictu — dat hij nooit iets kwaads van hen had gehoord en niet zoo „legier" was om het oor te leenen aan menschen, die Oranje zouden belasteren, „ung personage de vostre qualité et quejecognois si bien"; hijvprees zijn optreden tegen de woelingen in zijn prinsdom en vooral niet minder „le bon debvoir" der heeren in de godsdienstzaken der Nederlanden!

Desniettegenstaande .wantrouwden de heeren de kardinalistën in de omgeving der zwakke landvoogdes nog wel degelijk. Haar secretaris Bave en vooral Berlaymont en Viglius bleven inderdaad druk met Granvelle correspondeeren en bovendien was men nog volstrekt niet zeker van zijn definitief wegblijven, waaromtrent zelfs Viglius i Mei nog .niet ingelicht bleek. Granvelle's vertrouwde vriend Morillon, vicarisgeneraal van het aartsbisdom Mechelen, was begonnen dezen die lange, ons overgeleverde serie belangrijke brieven te schrijven, waardoor Granvelle steeds nauwkeurig op de hoogte bleef van wat hier gebeurde. De kardinaal stond zelfs met Margaretha nog in correspondentie en gaf haar soms raad, b.v. in de zaak van de bijeenroeping der Staten-Generaal, waartegen hij haar steeds ernstig gewaarschuwd had in het belang van 's Konings gezag. Hij bleef ook in correspondentie met den Koning, bij wien hij nu de heeren zoo zwart mogelijk maakte, en hield zich op de hoogte der buitenlandsche politiek.

De heeren deden hun best in den Raad. lederen morgen kwamen zij ten hove om met de landvoogdes te spreken; zij aten en jaagden met haar. Maar J|j ontveinsden zich niet, dat ook met het vertrek van Granvelle niet aues nog naar hun zin ten goede gekeerd was. Daartoe was meer noodig. Zij verlangden hervorming van de richting van het geheele staatsbestuur door uitbreiding en machtsversterking van den Raad van State, waaraan de beide andere in 1531 ingestelde „colla?-

Sluiten