Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de nieuwe Nederlandsche universiteit te Douai, ja de belofte om hem in den Geheimen Raad op te nemen, waar hij dan den Grooten van voorlichting kon dienen omtrent de gewenschte veranderingen in kerkelijke en bestuurszaken. Maar zijn heftige twist met Calvijn en Beza en aan den anderen kant het wantrouwen der Katholieken jegens den aanhanger van Cassander heeft hem naar beide zijden te zeer gecompromitteerd om van zijn diensten op het gebied van de godsdienstkwestie veel te doen verwachten. De Grooten hebben hem toen losgelaten en zich voortaan bij deze plannen tot anderen gewend, namelijk tot den Brabantschen raadsheer Maes en den Leuvenschen professor Molinaeus (Van der Meulen), die van gelijke gezindheid herhaaldelijk blijk hadden gegeven; zij werden nu de raadgevers der Grooten in deze dingen.

Het feit van deze betrekkingen bewijst dat Oranje in het genoemde jaar een eenigszins andere houding ten opzichte van godsdienstige vraagstukken was gaan aannemen, zij het dan waarschijnlijk meer ten gevolge van staatkundige overwegingen dan van een ommekeer in zijn zieleleven zelf, waarvan wij voor het oogenblik nog weinig bemerken. Intusschen blijkt uit een en ander, dat de richting van zijn geest overeenkwam met wat velen verwachtten van een samensmelten der katholieke en protestantsche meeningen. De gematigden van beide kanten, die daartoe overhelden, hadden reden hem voortaan niet meer eenvoudig als een onverschillig naam-katholiek doch als een man van hun verwante gezindheid te beschouwen. Binnenkort zou dit nog sterker blijken bij de bepaling zijner houding tegenover de kerkelijke dingen. Voor het oogenblik bleven deze nog op den achtergrond bij de bemoeiingen der Grooten, die veeleer van staatkundig-administratieven aard waren.

Aanvankelijk was Margaretha het geheel met de heeren eens; zij vond zelfs geen woorden genoeg om den kardinaal, haren voormaligen raadsman, te smaden en bezwoer den Koning herhaaldelijk hem toch niet terug te laten komen. Ook Viglius ondervond in hooge mate hare ongenade en dacht er ernstig over om zich terug te trekken; zij beschuldigde hem, den humanist, bij den Koning niet alleen van tegenwerking in de financieele plannen maar ook van schraapzucht en oneerlijkheid, zelfs van zekere kettersche neigingen. Deze laatste trokken weldra ook de aandacht van Philips' geheime ketterjagers en kerkelijk-

Sluiten