Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en andere „Mittbrüder" uit de oude Liga tegen Granvelle staat hij voortdurend in nauwe betrekking. Hij onderhoudt een drukke correspondentie met den landgraaf van Hessen, den keurvorst van Saksen en andere Duitsche vorsten en heeren, o. a. Lazarus von Schwendi. en let nauwkeurig op den gang der zaken in Frankrijk, Engeland en Italië, waaromtrent vertrouwde personen aldaar hem geregeld inlichten. Hij verlaat Brussel niet dan tijdelijk en laat de landvoogdes geen oogenblik aan zichzelve over. Hij toont zich zelfs niet ongeneigd om, zeker van zijn zaak, zich met Granvelle te verzoenen en laat zich gunstig uit over diens bekwaamheden. Nog in den zomer van 1565 schijnt Oranje aan de mogelijkheid eener verzoening met Granvelle gedacht te hebben: de wijze, waarop zijn zwager, graaf Günther van Schwarzburg, toen te Weenen met Granvelle's broeder Chantonay heeft gesproken, kan zeer wel met een dergelijk denkbeeld in verband hebben gestaan. Maar er is in ieder geval niets van gekomen.

Dat de zaken in de Nederlanden naar wensch gingen, kon niemand echter beweren; de verwarring nam er toe en de toestand werd vergeleken met dien onder den hertog van Savoye, toen de Grooten ook veel hadden in te brengen. Met name gingen de financieele zaken des lands slechts weinig vooruit en moest de toeneming der ketterij erkend worden; slechts zeer langzaam bewilligde de eene Statenvergadering na de andere in de door de regeering gewenschte bedragen en dan nog onder voortdurende chicanes, terwijl de garnizoenen in de grenssteden, die op het eind van 1564 tien maanden ten achter waren met hunne soldij, steeds ontevredener en oproeriger werden.

Inderdaad, over de resultaten van den nieuwen koers viel aanvankelijk niet bijzonder te roemen en de kardinaal, door Morillon en Viglius geheel op de hoogte, wreef zich op zijn wijkplaats in Franche Comté in de handen. Oranje verzuimde bij dat alles niet zijne betrekkingen zoowel met de Duitsche Protestanten als met de Fransche Hugenoten aan te houden. Vooral de laatsten hadden hun hoop op een beweging in de Nederlanden niet opgegeven en de Spaansche gezant te Parijs, Francisco d'Alava, waarschuwde den Koning en de landvoogdes herhaaldelijk voor deze betrekkingen, die evenwel voorloopig op niets werkelijks uitliepen. De Hugenoten hoopten zelfs op samenwerking met Philips II, tegen hunne eigene regeering!

De Koning was allesbehalve gesticht over den loop der dingen en

Sluiten