Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was nu tijd, zeide hij ongeveer, om op te houden met schijnbare volgzaamheid ter bestrijding eener ernstige kwaal; men moest ronduit zeggen waar het op aankwam. De godsdienst was in de naburige landen in beroering en ook hier te lande hadden de bloedplakkaten, de nieuwe bisdommen en de losbandige levenswijze der geestelijkheid het hunne gedaan om de bevolking onrustig te maken. Dit moest men den Koning zonder omwegen mededeelen. Het gezag der rechtbanken was door allerlei oneenigheid over machtsbevoegdheid geschokt en het was niet mogelijk langer de lagere beambten in toom te houden, nu zelfs hooge ambtenaren, de kanselier van Brabant en raadsheer Maes en de drie groote Raden, met elkander twistten. De gewestelijke hoven trokken alle zaken meer en meer aan zich. Er moest één Raad zijn, die de landszaken leidde, samengesteld uit ervaren heeren van hoogen rang en met autoriteit De Koning moest verder inzien, dat de Trentsche besluiten hier niet konden worden ingevoerd; noch de protestantsche noch de katholieke vorsten in Duitschland deden dit; hij moest ook hier de landvoogdes toestaan ervan af te wijken, als zij het noodig achtte, en hij moest de plakkaten matigen. Hij, Oranje, was katholiek en wilde, zeide hij nogmaals, volstrekt niet van dien godsdienst afwijken maar hij kon onmogelijk de gewoonte der koningen goedkeuren om naar eigen, toch ook slechts menschelijk inzicht den godsdienst binnen bepaalde willekeurige grenzen te beperken. Hij eindigde met de verklaring, dat men nu eindelijk en voorgoed moest weten, wat de Koning van dat alles dacht.

Het was voor het eerst, dat dergelijke taal in 'slands raadzalen gehoord werd, en het was de jonge Oranje, die ze liet hooren, de taal der gewetensvrijheid. Nog noemde hij zich katholiek, nog bleef hij erbij in dat geloof te willen leven en sterven, maar voor het eerst vernemen wij uit zijn mond iets van inzicht niet slechts in de verhouding tusschen godsdienst en politiek maar in de behoeften van het vroom gemoed. Het mag worden verondersteld, dat den 31-jarige te midden van de wassende beweging des volks tegen de bloedplakkaten dit inzicht was geopenbaard, nu hij met mannen als Cassander, Baudouin, Molinaeus en Maes in nauwe aanraking was gekomen en hunne denkbeelden had leeren waardeeren. Ook zijn broeder Ludwig, toen reeds zijn .rechterhand in alles, die reeds lang dezelfde verzoenende denkbeelden koesterde, kan op zijn denkwijze invloed hebben gehad. Nog

Sluiten