Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

westen, vanouds gekant tegen zulk een ambtenaar, de gehoorzaamheid weigerden, trad hij bemiddelend op; hij bewerkte in October 1565 ten dezen eindelijk een vergelijk, waarbij Holland voor den tijd van Hoörne's leven diens aanspraken erkende maar zich het recht voorbehield om na diens dood een eigen admiraal aan te stellen.

Een ernstig verschil was tusschen hem en de Staten van Holland in 1564 ontstaan over de oude strijdvraag, of die Staten wel het recht hadden uit zichzelf een vergadering te beschrijven door hun eigen landsadvocaat dan wel of er geen Statenvergadering kon plaats hebben dan die bijeengeroepen werd door den griffier van het gewestelijke hof, den vroegeren Raad van Holland en Zeeland, in naam van den stadhouder of van den president van het hof, toen Cornelis Suijs. De Staten en hun sedert 1560 opgetreden landsadvocaat Jacob van den Eynde hielden het eerste krachtig vol. Zij erkenden wel, dat „generale dagvaarten" over het toestaan van petitiën en dergelijke door den landsheer gevraagd, alleen door de gewestelijke regeering konden worden beschreven, maar. wezen er tevens op, dat zij ook onder 's Konings voorzaten over „particuliere loopende saecken, diedagelijcksoccurreren", tallooze malen op eigen gezag vergaderd hadden. Oranje echter verklaarde met nadruk, dat hij dit laatste niet mocht toelaten. De twist duurde voort tot in 1566, toen Oranje (27 Januari) den Staten formeel " „interdiceerde" buiten zijn last te vergaderen, waartegen zij van hun kant bij de landvoogdes een geharnast protest indienden.

Er was dus wel wrijving tusschen de Staten en den stadhouder, maar dit belette den Staten toch piet hem uit dankbaarheid voor zijn diensten op denzelfden dag, gelijk aan zijn voorgangers en niet zonder een wenk zijner prinselijke raden, een „gratuiteit" toe te kennen, die hij echter wegens de reeds ernstige tijdsomstandigheden en waarschijnlijk in verband met zijn pas ingediende aanvrage om ontslag ten slotte weigerde, al was zijn financieele toestand verre van schitterend; zij kwamen er 15 Juli 1566 op terug en schonken hem eindelijk (t 9 Nov.) de aanzienlijke som van 55000 pd., waarvan zij evenwel aftrokken wat zij van hem aan gewestelijke lasten voor Zwaluwe enz. meenden te mogen vorderen. Deze royale schenking stond ongetwijfeld in verband met 's Prinsen krachtige pogingen om de godsdienstige verwikkelingen, die ook hier uit de gebeurtenissen van dit jaar voortvloeiden, in overleg met de Staten tot een goed einde te brengen.

Sluiten