Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er wel iets moest geschieden. Hames, Brederode en eenige anderen maakten daarom een plan op, waarvan reeds de bijzonderheden werden vastgesteld, ten einde zich van een aantal belangrijke plaatsen meester te maken. Oranje, daarover in zijn afzondering te Breda niet dan in het vage geraadpleegd, namelijk over het denkbeeld van verzet in het algemeen, zag nog steeds het meeste heil in het inroepen van den steun van Keizer en Rijk, waaronder immers de Nederlanden sedert -548 gezamenlijk behoorden, in ieder geval van de Duitsche protestantsche vorsten: hij hoopte veel van een door den Keizer bijeen te roepen concilie en van de hulp der Lutherschen. Van dadelijk gewapend verzet wilde hij niets weten, voordat ten dezen zekerheid was verkregen. Daarom heeft hij reeds eind Januari zijn broeder Lodewijk naar Duitschland gezonden; hij had het voornemen om te trachten heimelijk geld en troepen bijeen te brengen ten einde, maar. niet dan desnoods en in het uiterste geval alleen, het van de zijde des Konings verwachte geweld met geweld te kunnen beantwoorden en daarbij van het Compromis gebruik te maken. Maar de Duitsche vorsten, diep afkeerig van het gevaarlijke Calvinisme, dat thans in de Nederlanden overheerschte onder de Protestanten, werkten aanvankelijk niet mede en Oranje's hoop om bij hen krachtigen en onmiddellijken steun te vinden leidde tot niets. De Waalsche edelman D'Andelot, die namens het Compromis deze plannen in Duitschland kwam aanbevelen, moest uit naam van graaf Lodewijk den als vertegenwoordiger der Nederlandsche consistoriën reeds te Augsburg aanwezigen Le Clercq weldra op de hoogte der mislukking brengen, wat dezen evenwel niet verhinderde op den rijksdag de belangen der Nederlandsche kerken met ijver te bepleiten en 1 April bij Keizer en Rijk een „libellus supplex* der Calvinisten in te dienen, waarin om 's Rijks tusschenkomst bij den Koning werd verzocht.

Was dit alles echter reeds niet zeer bedenkelijk als een begin van opstand tegen den wettigen vorst? Men houde bij de beoordeeling van 's Prinsen houding en die der edelen in het oog, dat het inroepen der hulp en tusschenkomst van Keizer en Rijk volstrekt niet mocht heeten een beroep op „buitenlandsche" hulp: de Nederlanden toch vormden als Bourgondische kreits een deel van het Rijk en de Keizer was ook hun opperheer, op wien zij zich beriepen tegenover hun vorst, eveneens als zoodanig lid des Rijks, ten minste in theorie rijksvorst zoo goed

Sluiten