Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

April maar had zich volstrekt niet opgelost, integendeel, zijn voortbestaan bleef verzekerd onder leiding van eenige daartoe aangewezen gewestelijke hoofden. Tegenover de houding der landvoogdes, die een drietal leden van haar hof wegens deelneming aan het Compromis had ontslagen, kwam reeds in Mei een aantal hunhér weder bijeen in het Henegouwsche kasteel Risoir bij Enghien en protesteerde tegen dit ontslag. Begin Juli. hielden zij te Lier onder leiding van Brederode en graaf Lodewijk wederom een samenkomst, waar ernstig gesproken werd over nadere betrekkingen met de Fransche Hugenoten en over de verbinding van de Nederlandsche Calvinisten en Lutheranen, met wie men in verstandhouding was getreden; het hier genomen besluit om de openbare prediking niet te stuiten, al keurde men het gewapend daarbij opkomen streng af, deed echter vele katholieke Geuzen reeds uit de beweging terugtreden. Half Juli werd eindelijk, op een nieuwe samenkomst te St Truyen in veilig Luiksch gebied, een schriftelijke belofte gedaan aan de afgevaardigden der consistoriën van Calvinisten en Lutheranen, die er hulp en stean kwamen verzoeken, om krachtig aan te dringen op de bijeenroeping der Staten-Generaal,'mits men van die zijde niet tot oproer oversloeg. Ook werden maatregelen genomer. om met het geld der kooplieden en consistoriën de werving van troepen in Duitschland voort te zetten, ten einde 's Konings geweld te kunnen weerstaan. Een door Brederode en graaf Lodewijk aangevoerde deputatifvan 12 „apostelen", door de vergadering van St Truyen aangewezen'; kwam 30 Juli te Brussel de landvoogdes verzoeken Oranje, Egmond en. Hoorne officieel aan het hoofd van den Geuzenbond vte plaatsen en godsdienstvrijheid toe te staan tot op de beslissing der Staten-Generaal. De landvoogdes antwoordde ietwat korzelig en verwees de deputatie naar den Raad van State, die van zijn kant tegen 18 Augustus de Gouverneurs en Vliesridders naar Brussel riep om over het te geven antwoord te raadplegen.

Oranje zag dat alles, waarvan graaf Lodewijk hem nauwkeurig op de hoogte hield, in groote bekommering aan en was er verre van de blijkbaar snelle toenadering van de Geuzen tot de calvinistische beweging goed te keuren. Nog 16 Juli waarschuwde hij zijn broeder tegen de Calvinisten, die „de peu de bon semblant que 1'on leur faict, prendent ung gran piet et audace". Hij keurde zelf de „presches désordonnées" ten sterkste af, klaagde over de aanmatiging der Calvinisten en prees

Sluiten